Home

KOTSEN OP WOENSDAG

Alle andere dagen ben ik best oké

Woensdag 22 – 09 – 21

Al dagdromend vergeet ik de drukte van de stad rond mij heen. Met afgeleefde vodden om mijn lijf strompel ik tegelijkertijd de negentiende eeuw, en een ander continent, binnen. Ik draag een afgedragen pet tot over mijn wenkbrauwen en laat de riem van mijn geweer over mijn uitgemergelde schouder rusten. Hier zijn geen autostrades en nachtwinkels meer. Onder de versleten zolen voel ik enkel zand en grind. In de ondergaande zon zie ik een paard en kar mijn richting uitkomen. Ik duik de struiken in en bezeer mijn enkel. Met de grootste moeite van de wereld probeer ik de pijn te verbijten. Iets in mijn mond steken zou al helpen. Het is dagen geleden dat ik nog water over mijn lijf gevoeld heb, laat staan op de lippen. Ik steek de loop van mijn wapen tussen de bladeren door en probeer de dorst en de pijn te verbannen. Alles wat hier voorbijkomt, is tegen mij. Terwijl de kar tergend traag voorbij bolt, cirkelt een buizerd hoog in de lucht over de vallei. Ik zie alleen maar een oude man en afgepeigerde merrie. Geen klootzakken die mij willen uitmoorden, enkel en alleen omdat ik anders denk. Nog voor die boerenpummel het beseft, kruip ik recht en hou mijn wapen op hem gericht. ‘Stoppen, eikel.’ De man laat zijn sigaar uit de mond vallen en de merrie steigert. ‘Houdt uw teef kalm.’ Ik klem de kolf tussen mijn oksel en doe mijn best hem zo helder mogelijk te bedreigen. ‘Die kar af, handen omhoog.’ Mijn vinger rust op de trekker en ik beveel hem de laadbak op te wandelen. Een stoffen doek bedekt de lading. ‘Weghalen.’ De pummel twijfelt. ‘Bent u zeker, meneer.’ Ik duw de loop tussen zijn schouderbladen. Met beide handen trekt hij het doek weg. Ik zie eerst benen, rompen. Kleding die van mij zou kunnen zijn. Fuck, ik zie mezelf liggen. Meer dan 20 kopieën. Als tonijnen op elkaar gestapeld. Allemaal kermend, smekend om de korte pijn. Ik laat mijn geweer vallen en stuik in elkaar. ‘Meneer,’ een buschauffeur van De Lijn tikt mij op de rug, ‘u blokkeert de weg.’
© Rémy Cogghe, Combat de coqs en Flandre, 1889

Woensdag 15 – 09 – 21

In mijn hoofd heb ik geen gemakkelijk jeugd gehad. Ik herinner mij eerder eindeloze ruzies dan kostbare momenten. Onderhuidse spanningen die ons gezin van binnenuit opvraten. Onuitgesproken frustraties die als onzichtbare golven op mijn familie insloegen, met als enige doel de genenpoel te verzieken. In de jaren ’90 zat Merksem vol van die hopeloze gevallen. White trash en Marokkaanse Belgen die tijdens hun vrijetijd de boel op stelten zetten zonder dat er iemand een reet om gaf. Nu ik ouder ben, moet ik de verantwoordelijke leerkracht uithangen. De rede prediken, terwijl ik zelf niet eens weet wat het inhoudt. Mijn conclusie: Iedereen doet maar wat. Het enigste verschil is dat we nog mondiger zijn geworden dan zij uit de vorige eeuw. Uiteindelijk denkt iedere nieuwe generatie steeds dat zij het geweer van schouder kunnen veranderen, gemaakte fouten rechtzetten. Ik lul in de klas over gelijkheid en verantwoordelijkheid. Het raam openen en de lucht inademen. Nog vijfendertig minuten volhouden en dan stoppen mijn verplichtingen. Fuck, wat kan ik zagen. Ik kijk naar buiten en denk aan Ramses Shaffy. ‘‘Hoog Sammy, schijt toch omhoog Sammy.’’

© James Lee Byars, The dead of James Lee Byars, 1982/1994

Woensdag 08 – 09 – 21

Gisteren heb ik mijn scheidingspapieren ondertekend. Negen bladzijden vol gezever en onnodig jargon. De woorden van de notaris klinken hol en ik doe geen enkele moeite om haar te begrijpen. Al haar gezeik over het verdelen van goederen is niets meer dan een verplicht nummertje binnenin onze bureaucratie. Alles moet genoteerd worden en in de digitale papiermand verdwijnen. Jeuj. Voor mij doet al dat gedoe er weinig toe. Ik ben eerder op een begrafenis waar niemand om geeft. Eentje waarbij ik voorovergebogen naar de kist kijk en er zelf in blijk te liggen. Aarde over kappen en onder de grond verdwijnen. Verbonden met een vrouw die al lang niet meer de mijne is. Zij staat daar met haar volle buik en geeft een balpen aan mij door. Met mijn vergeelde vingers omklem ik het laatste wat we samen delen. Ik teken het nodige en doe alsof dit de normaalste zaak van de wereld is. Op straat praten we een minuut lang over alles wat ons niet meer bindt en wandelen elks een ander kant op. Ik steek een sigaret aan en denk aan de talloze beloftes die niemand ooit waarmaakt. Niets is ooit voor eeuwig.
© Chris Burden, Still from Shoot, 1971

Woensdag 01 – 09 – 21

Ik heb mij vandaag ziekgemeld. Het laatste waar ik op 1 september zin in heb, is toezicht houden op een bende joelende pubers die onder invloed van hun schommelende hormonen elkaar aangedikte verhalen over hun zomervakanties verkondigen. Nee, bedankt. Het kan mij niet schelen wat de directeur van mijn verzuim vindt. Ontslaan kan hij mij toch niet. Hij komt nu al sukkels tekort om al die structurele veranderingen op hun kromme ruggen het nieuwe schooljaar in te dragen. Ik start volgende week wel. Waarschijnlijk begin ik met een lesje over Afghanistan en al het erfgoed dat er in de naam van God is opgeblazen. Alles om de start van het zesde middelbaar zonnig in te zetten. Ik heb het geprobeerd, maar ik kan niet tegen dat hypocriet gedoe. Het olijk verkondigen van een vrolijke toekomst die op geen enkele realiteit gestoeld is. Wanneer die jongeren zo oud zijn als mij is de zeespiegel onherroepelijk gestegen, de helft van de wereldbevolking verhongerd of uitgemoord, de kloof tussen rijk en arm onoverbrugbaar en het vet al lang van de soep. Ik hoop stilletjes dat ik er dan niet meer bij ben. Soep of geen soep. Dat ik de kanker van mijn moeder mag helpen dragen. In haar plaats verdwijnen, nog voor de herfstvakantie goed en wel begonnen is.

© Stephan Vanfleteren, Zwaan, 2016

Woensdag 25 – 08 – 21

Vandaag met mijn moeder naar Sint-Augustinus geweest. Na een ongemakkelijke knuffel, gedeelde sigaret en babbeltje over weinig tot niets, sleepten we ons richting de afdeling pneumologie voort. Ik herinner mij vooral de varens, uitgedroogde sanseveria’s en posters met bejaarde koppels op. Knuffelend. Alle mogelijke kitsch inzetten om de wachtende longpatiënt op te vrolijken. Hoera voor de maatschappij. Tussen het gekuch door dacht ik alleen maar aan de ondergang van die zogeheten beschaving. Het hele systeem dat van kindsbeen af bezig is met haar onderdanen uit te moorden. Liefst zo langzaamaan mogelijk. Een gouden medaille voor zij die pas een jaar na hun pensioen dood op de pot neervallen. Broek af en slijm uit de mond. Begrafenis van zesduizend euro en op naar de volgende die doet wat er van hem-haar-hen-en-het verwacht wordt. Vroeger wast het leven simpeler: werd je blind, dan viel je de afgrond in. Mankte je, dan werd je achtergelaten. Was je zot genoeg om meer dan tien kinderen te krijgen, dan zorgde de natuur zelf voor de selectie. Vaak ging de moeder tijdens een bevalling onder de grond. In mijn geval, uitgezaaid naar de longen. Bij de dokter zat moeder erbij alsof ze in haar zetel naar de televisie keek. Zappend, met haar uitgestrekte arm en de afstandsbediening in haar vingers verkrampt. Ik dacht aan vroeger, aan familiefeesten met mij op haar schoot. Kreunend om aandacht en eten. Tussen het wazige door vertelde de dokter iets over immuuntherapie en palliatieve zorg. Moeder en ik zaten samen in onze eigen realiteit. Opnieuw onze gezinsmomenten beleven. Bijgekleurd en aangepast. Ik kneep in haar hand en tien minuten later stonden we aan de tramhalte. ‘‘Zie ik je morgen,’’ zei ze zonder iets over de ziekte te zeggen. ‘‘Ik moet mij voorbereiden op de start van het schooljaar.’’ Ze knikte en verweet zichzelf dat ze zoiets kon vergeten. Ik greep in mijn zakken naar stof en extra tijd. ‘‘Ik bel je morgen wel.’’ Kuste haar nogal onhandig op haar wang en vertrok.
© Christie’s & Jean-Michel Basquiat, Untitled, 1982

Woensdag 18 – 08 – 21

Ik heb vorige week een inzinking gehad. De eerste van de zomervakantie. Het gebeurde op café, ergens in een verlaten stad op de grens tussen Spanje en Portugal. De details zijn aan mij verloren gegaan. Ingevuld door zwarte gaten. Wat achterblijft is de herinnering aan een explosie van opgekropte woede die over de jaren heen de inhoud van mijn borstkast heeft overgenomen. Het glas rum-cola dat op de grond ketste. Mijn stem die het vergif op ongewilde omstanders uitbraakte. Ik was de revolutionair die lak had aan artificiële waarden en normen. Hij die zonder afwegen op weerloze vrouwen en kinderen schiet. Alles uitroeien zodat de natuur opnieuw kan beginnen. Om de zoveel maanden verliest de rede het eindeloze gevecht van de waanzin. De puber in mij die kapotmaakt om iets te voelen. Ik heb Rotzak van mij afgetrapt en uitgescholden, alsof ik het opnam tegen mijn eigen onverwerkte trauma’s. Theatrale uitbarstingen uitwerken op een hond, heet dat. Bruggen verbranden, connecties afstoten en met open wonden verder leven. Alles om de eenzaamheid te snel af te zijn. De volgende ochtend voelde mijn lichaam opgezwollen aan. Ik lag ergens in een greppel, omgeven door pijn en een weide vol korenbloemen. Portefeuille op zak en niemand die mij bij naam kende. Beschadigd, maar veilig. Na het wakker worden besloot ik mijn drassig bed voor één nacht te verlaten en de eerste bus richting België te nemen. Het was goed geweest. Een uur later rinkelde mijn telefoon. Mijn moeder die mij voor de vijfde keer probeerde te bellen. Halfdronken nam ik op. ‘‘Schat,’’ ze sprak met een hese stem, terwijl ik aan een snelheid van tachtig kilometer per uur naar de verschillende gezichten van Europa staarde. ‘‘Wat is er, ma?’’ Ze nam haar tijd en speelde met de leegte tussen haar woorden. ‘‘Ik heb kanker, uitgezaaid.’’

© Barnett Newman, The Stations of the Cross, Lema Sabachthani, Twelfth Station (detail), 1965)

Woensdag 04 – 08 – 21

Op camping “Por Supuesto” hebben de Duitsers het terrein overgenomen. Met honderden zijn ze. Net varkens die in hun eigen vuil liggen te zonnen en er daarna hun teennagels knippen. Altijd omringd door spuuglelijke campers die hun gebrek aan smaak verklappen. Ik moet ze niet, de Duitsers. Niet in hun eigen land en al zeker niet op een ander. Ik walg van ze. Hun klanken doen me aan bondage met verlebberde hoeren denken. Van die margi’s die er op hun twintigste al ranzig uitzagen. Voor veel te weinig geld zuigen ze een Hanz of een Günther af. Overdag boekhouder, bij nachte een anaalridder met lederhosen aan. Ik groet hen een goedemorgen en denk er het mijne van. Rotzak pist straks wel, tijdens hun dagelijks uitstapje naar het plaatselijke marktplein, op de rubberen boot die ze uit de jaren tachtig hebben meegesleurd. “Ich habe das nicht gewusst,” wordt mijn antwoord wanneer ze mijn viervoeter van vandalisme beschuldigen. Ze staan in mijn top vier van meest gehate toeristen ooit. Net achter de Britten, de Fransen en de Russen – vraag mij in den draai maar eens waarom. Maar uiteindelijk winnen de Duitsers altijd. Ook op onze camping. De rest van ons gewone stervelingen moeten noodgedwongen genoegen nemen met een laaggelegen weide vol koeienstront. Rotzak en ik delen een hut met een Cubaan die in België al drie vrouwen heeft versleten. We praten over politiek, worden dronken en roken joints tot de nacht valt. Ik kijk naar de sterren en denk aan thuis. Voor het eerst sinds ik me kan herinneren, val ik rustig in slaap.
© Alex Turner & Arctic Monkeys, Tranquility Base Hotel, Casino album cover, 2018

Woensdag 28 – 07 – 21

Onderweg ben ik een bastaard tegengekomen. Vier poten en een witzwarte vacht. Hij volgt mij al een kleine week en jankt wanneer ik voor een korte pitstop zijn gezichtsveld verlaat. ‘Ik heb dat beest nog nooit gezien,’ mompel ik tegen bekakt volk dat vindt dat ik mij dien te generen voor een ander zijn gedrag. Ik heb genoeg aan mijn eigen problemen. Zij zitten daar maar te zagen, met hun matchende poloshirtjes en overprijsde wijn. Fuck hun. Zij zijn rot vanbinnen. Ze ruiken hun eigen stank zelfs niet meer. Ik geniet van hun walging en neerkijken. ’Kom, rotzak,’ fluister ik mijn compagnon de route toe, ‘we zijn hier niet welkom.’ Rotzak luistert naar zijn originele troetelnaam. Hij kijkt me begrijpend aan en slentert in mijn kielzog voort. Hij ziet me voor wie ik ben. We zijn beiden verstoten door iemand die ons eeuwige zorg en liefde beloofde. Ik verdraag zijn aanwezigheid, aai hem ‘s nachts wanneer hij de warmte aan het voetuiteinde van mijn bed opzoekt en verwens hem wanneer hij in de volle zon de stront van een soortgenoot opeet. Toch kan ik niet lang kwaad op hem blijven, zo’n lelijke kop dat het mooi wordt. Ik ben blij dat hij mij ook niet verlaat. Wij zijn beide zwevers in het niemandsland.

© Filip Gilissen, It’s all downhill from here on, 2011 (Foto: Glenn Geerinck)

Woensdag 21 – 07 – 21

Twee weken verder en ik blijf wandelen. Weg van iedereen die me aan mezelf doet denken. Richting het zuiden. Maakt mij niet uit waar. Onderweg heb ik een zwarte short gekocht, dito sokken, T-shirt en een rugzak om wat eten mee te sleuren. Koude koffie, cola en Zwan worstjes. Meer heb ik niet nodig om op te teren wanneer ik alleen naar een of ander meer staar. Ik was mezelf en zwem zonder doel. Elke dag ben ik ergens anders. Een nieuw dorp, huizen en kromme straten die ik niet ken. Onbelangrijke taferelen spotten, die zich ergens toevallig afspelen. Het houdt me wakker en scherp. Soms praat ik met een plaatselijke cafébaas over het weer en vrouwen. Dat ze onbereikbaar zijn en mooi, van veraf gezien. De nachten breng ik door in goedkope motels vol van mensen die naar hetzelfde niets op zoek zijn. We knikken en roken stilzwijgend onze sigaret op.
© Yves Klein, Leap into the void, 1960

Woensdag 14 – 07 – 21

Alles bestaat uit onzekerheid. Het leven is ondergaan, keuzes maken en beseffen dat de uitkomst niet te voorspellen valt. Enkel een narcist denkt dat de afloop in zijn voordeel uitdraait. Iedereen gokt op basis van een onverklaarbaar gevoel, een sterk verlangen. Naast mij zit een opgebrande dronkaard met uitgegroeide wenkbrauwen. Hij gaat all-in op een klaveren boer en klopt euforisch op tafel. Hoogmoed is mijn favoriete zonde, iedereen denkt dat hij of zij de nieuwe Messias is. Vijf seconden later verliest de dwaas zijn eerbaarheid en beland op straat. De kleren uitgetrokken, niets meer waard. Het maakt niet uit welke kaarten je aan het begin van de rit trok. De grote schifting maakt geen verschil tussen de gefortuneerde en de arme stakker. Het gaan om overleven en het moment afwachten. Elke keer instinctief kiezen voor links of rechts. Vingers om de blinkende klink klemmen en duwen tot de deur uit het slot glipt. Eens ik speel, geef ik niet af. Het kan me niet schelen dat de andere betere kaarten heeft. Het spel zit hem in zekerheid uitstralen en jezelf smijten met zo min mogelijk vocht in de broek. Denken aan wat er zich na de aftiteling afspeelt,

© Kuba, SINGING IN THE RAIN, AND WE’RE HAPPY AGAIN, 2019

Woensdag 07 – 07 – 21

Ik heb lang nagedacht over hoe Ik in godsnaam deze zomer doorkom. Het is 10:00, mijn hersenen doen pijn en ik steek de derde joint van de dag op. Stevige teug nemen, groen hemd strijken en een jeans aandoen. Alles op basis van een aangepast schema. Afgemeten en afgewogen, alsof ik een obees ben die het zoveelste wonderdieet uitprobeert. Volgens die verwelkte teef van een psychologe heb ik structuur nodig. Een periode gekoppeld aan orde en tijd om alles te verwerken. Geen nachten waarbij mijn ogen onbevredigd op zoek gaan naar bloot vlees. Gluren naar twee bewerkte wijven met opgespoten lippen die overdreven genieten van elkaars poes en tepels. Aflikken tot mijn penis half stijf wordt. Geen gesnok, maar braaf het bed in en hopen op een nacht zonder opstaan. Het dieet werkt half zijn gat en ik schrijf om 6:00 de miserie van me af. De zomervakanties zijn de ergste. Twee maand zon en betaald verlof. Het komt als een ton stront op me af, doet me op mijn koord dansen, broedend over vallen en doodbloeden. Iedereen gaat zijn gangetje, terwijl ik daar op de stoep lig te creperen. Ik wil er niet aan denken, zet mijn zonnebril op en wandel de deur uit. Ik heb geen flauw idee waar ik heen ga, maar de intentie is er.
© Kazimir Malevich, Compositie met zwarte cirkel, 1916

Woensdag 30 – 06 – 21

Koffie druipt langs mijn vingers de houten vloer op. De zwarte druppels kussen de vingertoppen en tarten de zwaartekracht. Ik wil de schoonheid voelen en de pijn verdragen. Het hete gruis dat mijn lichaam aanvalt. Inzichten krijgen via rituelen waar geen ander aan denkt. Dromen over een cultus waarin de esthetiek en het uitzinnige de wetten bepalen. Alles met de grond gelijk maken, om vanaf nul te herbeginnen. Het zwarte gat dat groeit zonder ophouden. Hoofd erin steken en de spanning vasthouden. Wachten op het moment dat alles verdwijnt. Start, stop, reset.

© Henry De Groux, Gasmaskers, 1914-1918 2004

Woensdag 23 – 06 – 21

Van die mannen die zich mannelijker voordoen dan ze zijn. Bullshit. Gisteren zo iemand gezien. Getrimde baard, broekspijp tot net boven de enkels en een zwarte zonnebril die voor meerdere onopgeloste trauma’s staat. Te mannelijk om te praten over gevoelens. Waarom gewoon? Ik moet ervan kotsen. In mijn realiteit: recht op hun gezicht. Zachtjes uitvegen en vijftien minuten laten intrekken. Wondermiddel. Wij mannen mogen niet klagen, ik weet het, maar niets is gemakkelijk: al die testosteron, al dat sperma. Het stijgt naar het hoofd. Zelf ben ik opgevoed door kemphanen wiens angst om ontmaskerd te worden, groter was dan de omtrek van hun testikkels. Doen alsof was hun mantra. Ik was bijna zelf zo geworden en haal ze er zo uit. Ze blazen zichzelf zo groot mogelijk op en komen als een opgefokte bodybuilder voor mij staan. ‘Wie heeft de grootste?’ Och, de grootste sukkel staat hier. Ik voel mij nergens thuis en speel het zoveelste spel mee. Dwaas. In een andere dementie trek ik van mijn slecht gerolde sigaret en doof haar uit. Recht op de schacht van zijn glorieus lid. Fuck off and die.
© Cigarettes after sex, Cover album Cigarettes after sex, 2017

Woensdag 16 – 06 – 21

‘‘Wat is 50 centimeter groot, stijf en alle vrouwen worden er hysterisch van?’’ Ik neem een slok van mijn tripel en probeer het ijs te breken met de enige mop die ik de moeite waard vind te onthouden. Het is eeuwen geleden dat ik mijn vrienden zag. Binnenkort is het mijn verjaardag en ze wilden per se samen iets doen. Drinken en onhandig schuifelen op een stoel kon er nog net af. Op een terrasje aan de Dageraadplaats staar ik naar de mensen die mijn jeugd kleurden. Flarden van onbezonnen herinneringen vullen mijn gedachten op. Met z’n allen naakt over auto’s lopen, hysterisch lachen om niets en jointjes smoren aan het meer. Dromend over een toekomst waarin alles kan en niets moet. Pratend over de wereld en hoe wij die zouden veranderen. Twee decennia later zie ik hoe de jeugdigheid aan ons voorbij is gegaan. Zij die ik liefhad bestaan niet meer. De corona heeft van hen verrimpelde dertigers gemaakt die zichtbaar kampen met overgewicht en het opvoeden van kinderen waar ze in eerste instantie nog laaiend enthousiast over waren. Ik wil verdwijnen in de wereld van zoveel zomers geleden. De kans krijgen om opnieuw te beginnen en haar te kussen, zonder de demonen in mijn hoofd. Maar vandaag is niets meer dan een melancholische reünie van mensen die elkaar ooit kenden. ‘‘Allee Sam, zeg het is, wat is nu 50 centimeter groot, stijf en elke vrouw komt er wild van?’’ Ik schraap dode huidcellen van mijn voorhoofd en neem de zoveelste slok. ‘‘Wiegendood.’’

© Stephan Vanfleteren, René, Brussel, 2004

Woensdag 09 – 06 – 21

Vandaag is het mijn eerste werkdag. Vier weken ziekenkas om dan tijdens het laatste bezoek van de controlearts geschikt verklaard te worden. Hij zou eens moeten weten. Ik heb nog geprobeerd een verlenging uit de brand te slepen, maar mijn pathetisch gezeik deed er geen goed aan. Ik heb mij er uiteindelijk bij neergelegd en hem inwendig gefolterd. Bot mes en beginnen bij de adamsappel. Waarom moeten zo van die klootzakken mijn leven altijd moeilijker maken dan het al is? Maar bon, we staan hier dus met de nodige afkeer aan de schoolpoort waar ik al meer dan zes jaar mijn tijd verspil. Ik laat de metal van Amenra door mijn koptelefoon knallen en neem een laatste teug van mijn sigaret. Mezelf afvragend hoe ik het hier al die tijd heb volgehouden. Ik zie alleen nog gezichten waarvan de verhalen mij geen bal interesseren. Ze wandelen naar mij toe, dringen zich op en vragen hoe het met me gaat. Iedereen op school weet het ondertussen van mijn coma. Al dat geroddel, al de sensatie. Geloof mij: niets erger dan een groep pubers en uitgedoofde volwassenen bij elkaar. Ik lach, stel hen gerust en denk na over het toegeven aan mijn afkeer voor iedereen die hier ademt. Waanzin vult mijn hoofd op. Ik wil voelen wat die jongens in 1999 voelde, toen zij de Columbine High School in Colorado bestormden en iedereen afmaakten. Emoties uitschakelen, gedachten op slot, automatisch vuren en kijken hoe het leven, als stukken dood vlees, uiteenspat. Terwijl mijn voeten een vaste tred aanhouden, hoor ik hoe het geschreeuw door de gang galmt. Een hand raakt kort mijn schouder aan. ‘Meneer Sterckx, u ziet wat bleek,’ ik lach al mijn problemen weg en wrijf door zijn haren: ‘Komt allemaal wel goed, vriend.’
© Hannelore Van Dijck, Untitled, 2013

Woensdag 02 – 06 – 21

Ik ben die griet van drie weken geleden tegengekomen. Ze droeg een wit minirokje dat haar heupen afspande en was alleen op stap. Haar vriend had ze gelukkig thuisgelaten. Die fucking klootzak zou mij afranselen als ik mijn nek draai en hun kant op kijk. Mij anaal nemen – zoals enkel bonobo’s dat doen – tot ik enkel nog buiten kan komen met een zuurstoffles. Als ik zeventig ben, wil ik zo’n fles. Safke paffen op de parking van het ziekenhuis en toevallige voorbijgangers choqueren met den darm die in mijn neus steekt. Overdreven zwaaien en hallo zeggen, zoals alleen een doorrookte cafébazin dat kan. De blik in hun ogen, de trauma’s voor het leven. Maar nu nog niet. Ik kijk langs mijn zonnebril naar haar benen die het licht over de straat verspreiden. Zij is alles wat ik nooit zal zijn. Net op de hoek stopt ze bij een bloemenwinkel en kijkt naar haar reflectie in het raam. Ik drink van mijn koffie en fantaseer over copulerende anaconda’s. Schubben die wrijven tot heel de stad in brand schiet. Ik veeg mijn lippen af en twijfel over een babbeltje. Een leven lang dansen met haar. Maar in mijn hoofd is alles dood. Ik voel de pijn in mijn onderrug steken, vraag de rekening en trap het af. Ik ben te oud om verliefd te worden.

© Jean Fouquet, Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen, 1454 – 1456

Woensdag 26 – 05 – 21

Net een rochel in het toilet gedropt. Allé ja, eerder op de toiletbril. Van dat vaalgeel met zwarte tinten. Ik buig voorover en vraag me af of ik nu een deel van mezelf kwijt ben. Ergens wil ik praten en afscheid nemen, maar ik hou me in. Het slijm fascineert mij. Het heeft iets vergankelijks, alsof een verloren wereld via mijn mond een uitweg zoekt. Hopend op een toekomst, ver weg van mijn bronchiën. Ik blijf gehypnotiseerd staren naar iets wat ik alleen gecreëerd heb. Dikke klodders rochel blijven op de bril drijven. Ze schommelen zachtjes heen en weer, zonder enig besef van tijd. De rest van de rochel druipt in een lange sliert de vloer op. Ik filosofeer over afvegen en schoonmaken, maar ik laat het zijn. Het is een passend afscheidscadeau voor ons Rita. Het idee dat zij zuchtend op haar knieën de bril schoonwrijft en aan mij denkt, maakt me geil. Ik haal mijn zwarte aansteker en pakje Marlboro Rood aan de balie op en wandel de gang van de derde verdieping door. De aansteker danst tussen mijn vingers. Mijn ogen gericht op de kamers vol soortgenoten. Mensen die elkaar kussen, een hand die over een pols glijdt, een moeder die voorleest aan haar kind. Een jonge vrouw die al te vroeg begrijpt wat het leven haar te bieden heeft. Ik draai mijn hoofd, wandel door de trappenhal naar de uitgang. Sigaret aansteken, de geur van de stad opsnuiven en blindelings een café uitkiezen. ´Heb jij toevallig iets met munt?’
© Hermann Nitsch, Ohne Titel (Schüttbild), 2018

Woensdag 19 – 05 – 21

In het Sint-Elisabethziekenhuis droom ik alleen nog over roken. Over die zelfgerolde sigaret die hier niet mag. Eentje waar tabak en wiet samen in verdwijnen. Alles egaal uitgestreken. Het ritueel van rollen en lekken heeft mij altijd geboeid. De tijd die in je hoofd bevriest; de handeling van het maken en het aansteken. Inhaleren en zo de leegte opvullen. Jezelf langzaam vergiftigen en er een ambacht van maken. Net een huwelijk. Mijn vorig huwelijk. Ik probeer er niet aan te denken, neem een teug van het enige wat mij nog onvoorwaardelijk liefheeft en ga op in de droom. Surfen op de wiet die mijn hoofd meevoert naar een wereld waarin ik nog betekenis heb. Waarin zij bij mij is en niet met een ander neukt. Samen kussen langs de kaai. Genieten van de Schelde en van een vogel die daar nooit vloog. In mijn droom rol ik om te vergeten. Alleen de dagelijks wasbeurt van verpleegster Rita doet mij minstens evenveel deugd. ‘Beentjes omhoog, meneer Sterckx.’ Haar hand in een klam washandje dat over mijn bovenbeen glijdt. Het katoen dat met zijn ruwe cirkelbewegingen mij een halve erectie bezorgt. Ik durf haar niet aan te kijken en vlucht weg, door het raam waar de bomen de wind vangen. Waar de lucht te blauw is voor mijn hoofd. ‘Dat is toch niet erg, meneer Sterckx,’ Rita schuift het washandje tot net mijn heup voorbij, ‘dat overkomt de beste onder ons.’

© Richard Phillips, Scout, 1999

Woensdag 12 – 05 – 21

Lijn coke door de neus jagen en babbelen. Vorige zaterdag was het zover. Terrasje doen, volk zien en verdwijnen in de massa die zich geen bal meer aantrekt van eender welke regel. Het tandvlees was op. Ik heb borsten gezien en benen gevoeld. Zachtjes de geur opgenomen van zij die veel knapper en jonger zijn dan mijzelf. Ik heb mijn lijf vrijspel gegeven. Iedereen in extase en er is geen mens die aan de volgende dag denkt. My kind of people. Morgen maakt niet uit voor vandaag. Ik strompel door de menigte, steek de zoveelste sigaret in mijn mond en gebruik het mondmasker om mijn neus proper te maken. De problemen vergeten die vegeteren in mijn hoofd. De dop moet eraf vliegen, liefst met fles en al. Mij laten leiden door de goesting van het moment. Ik kus iemand die ik niet ken. Haar lippen proeven naar drank en seks. Ik voel de drang om iets te betekenen. Noem het: het kortstondig willen begrijpen waarom mensen nog verliefd worden op elkaar. Het gevoel dat iemand jou de moeite waard vindt om te kussen is aanstekelijk. Nog drie tongdraaiingen en ik vraag die naamloze griet, met strakke kont, ten huwelijk. Speciaal zijn voedt het verlangen om mezelf als normaal te zien. Ik lik haar af alsof er geen morgen komt. Een fantastisch gevoel dat mij voor het eerst sinds jaren geil doet krijgen. Verstoord door een hand op de keel. Een duw op mijn knieschijf en een klop op mijn bakkes. Ziekenhuis in: twee dagen in de coma met een bedpan. Terug wakker op –  u raadt het al – deze motherfucking woensdag.
© Anton Corbijn, Nick Cave, Santa Monica, 1991

Woensdag 05 – 05 – 21

In mijn hoofd is het chaos. Elke gedachte een strijd tussen opgeven of verdergaan. Elke stap een dwaling over het loslaten en afstaan. Ik roep zonder dat iemand mij hoort. Mijn nek opgespannen, de mond open en leeg. Duwen tot het splijt. Ik doe mezelf pijn om iets te voelen. Mezelf verliezen in al wat niet mag bestaan. Het regent en de vijfde joint van de dag smaakt zuur. Ik wandel over de brug die Antwerpen met Merksem verbindt en proef de loze woorden die de psychologe op mijn tong achterlaat. Dat alles goed met mij gaat. Wat weet zij ervan. Ik vertel haar wat ze wil horen, wat iedereen wil horen. Verzwijg al wat belangrijk is. Ik ben hier omdat het moet, niet omdat ik erin geloof. Zij wil me helpen, maar dat gaat niet. Elkaar echt helpen, heeft nooit echt bestaan. In het diepste van de leegte zijn we allemaal alleen.

© Leon Spilliaert, Dijk in Oostende met lichten, 1908

Woensdag 28 – 04 – 21

Mijn ex is zwanger. Ze heeft het me net verteld. Met de nodige afkeer luister ik naar een monoloog vol gezeik over respect, onvoorwaardelijke vriendschap en toevalligheden die een toekomst bepalen die niemand kan voorzien. Ik laat haar lullen en denk aan het langzaam verdrinken. Mijn longen die zich ongewild vullen met water. Mijn lijf dat vecht zonder kans op een overwinning. Ze stopt en vraagt of ik iets zeg. Wat moet ik zeggen: ‘Ik hoop dat je scheurt en niet te naaien bent?’ Ik schaam me voor mezelf. Soms denk ik dat ik geen liefde kan aanvaarden van mensen die mij graag zien. Ik stoot ze af en wentel mij in wat ik ken, wat te controleren valt. Ik zwijg, neem haar hand vast en zoek het vertrouwde op in wat er niet meer is. Tot ik alleen nog met rust gelaten wil worden, in mezelf keer en denk aan die vijf jaar samenzijn. De jaren van proberen. Mijn zaad is even waardeloos als mijn innerlijke wil om me voort te planten. Ik laat haar hand los, zeg niets meer en vertrek zonder om te kijken. Een ik is meer dan genoeg.  
© Weegee, Murder in Hell’s Kitchen, 1940 -1949

Woensdag 21 – 04 – 21

8:30 en ik sta voor het eerst in drie weken opnieuw voor de klas. Surprise: ik doe iets voor de kost. Uiteraard dik tegen mijn goesting, overslapen en zonder koffie in mijn systeem. Mijn aangedikte wallen en ongewassen gezicht verborgen onder een mondmasker dat ik al maanden aan een stuk draag. Ik weet zelf niet wat ik hier in godsnaam doe, maar van schrijven kan ik niet leven. Nog niet. Sinds september vervang ik een jonge vrouw die na haar bevalling tot het besluit kwam dat ze toch geen kind wilde. Fuck haar en fuck dat kind. Ik ben het levende bewijs dat je onder een depressieve staat van zijn wel kan deelnemen aan de maatschappij. Al was het stoned, ongeïnteresseerd en instabiel. Who cares: ik ben niet de enige. Mijn glazige ogen overschouwen de leerlingen van het 6de economie moderne talen. Drie weken paaspauze – ik kan dat woord niet uitstaan, nog voor het bestond – heeft hen zichtbaar geen deugd gedaan. Ik slof de ruimte door en geniet van de stilte die enkele seconden lang de klas opvult. In mijn hoofd ben ik een klassieke filosoof die louter door zijn aanwezigheid de menigte inspireert. Ik toon hen een slide met een foto van een blinde vrouw, wiens linkeroog naar de muur van het onverklaarbare niets tuurt en vraag hen naar de inhoud van het kunstwerk. Ik kijk naar de klok en twijfel of ik met die ene slide 50 minuten vol krijg.

© Paul Strand, Blind, 1917

Woensdag 14 – 04 – 21

Wanneer de nachtklok ingaat, sleep ik mijn voordeur open en stap naar buiten. Hoofdtelefoon op en enkel nog de stem van Marc Bolan – T. Rex –  op repeat. De man die ik  graag had willen zijn, is al veertig jaar dood. Hij zingt over dansen, hoe hij de baarmoeder uit danste en maar bleef dansen. Ik droom op mijn beurt hoe ik er opnieuw in kan verdwijnen. Al dansend mijn kleren weggooiend, mezelf met etherische olie inwrijven en de schaamlippen van mijn moeder zorgvuldig openvouwen, om er vervolgens mijn hoofd in te steken. Het is voor ons beide geen aangename ervaring, maar het zijn ideeën die gratis en voor niets opduiken wanneer ik ’s nachts aan de kaaien ronddwaal. Marc vraagt zich ondertussen af wat het is om alleen te zijn. Ik kan hem niet helpen, gooi mijn peuk in de Schelde en denk aan het nooit meer opstaan.
© Albrecht Dürer, Flügel einer Blauen Walz, 1512

Woensdag 07 – 04 – 21

Deze ochtend had ik een gesprek met mezelf. Het begon ongemakkelijk en geen van ons beiden wilde er echt mee starten. We hadden het al zolang uitgesteld. Ik hoopte dat ik niet zou praten over wat er vorige week gebeurd was en ik wenste op mijn beurt dat ik niet defensief uit de hoek zou komen wanneer ik over vorige week zou beginnen. Ik vroeg of er koffie moest zijn. Ik knikte. Met een gedeelde sigaret hebben we het ijs gebroken en herinneringen opgehaald. Ik raakte mezelf kort aan zonder op te schrikken. Ik praatte over hoe het me speet. Eerst wilde ik er niets van weten. Ik hief mijn schouders op en verwenste mezelf. Ik wilde iets zegen over al die jaren samenzijn, dat het zo niet verder kon. Dat het verschrikkelijk was om met mezelf om te gaan. Maar ik zweeg. Ergens diep vanbinnen wist ik al lang dat ik niet zonder mezelf verder kon.

© Thierry De Cordier, Mer Grosse, 2011

Woensdag 31 – 03 – 21

Ze zouden alle mensen moeten afschaffen. Geen verschillende meningen en onredelijke verwachtingen meer. Geen ongemakkelijke momenten die uitgroeien tot frustraties die jaren aanslepen. Van iedereen de hersenen afpakken en het omhulsel naar de fabrikant terugzenden. ‘Hebt ge geen nieuwer model?’ Van mijn part mogen ze met mij beginnen. Via de neus mijn ingewanden eruit. Al die vetzakkerij op een hoop gooien om er potgrond van te maken. Ik ben volgens mij het nuttigst als ik niet meer nadenk en de basis kan zijn voor een scheut die zich voornamelijk bezighoudt met  het produceren van bladeren en bloemen. Voor de rest, geen argument.

© René Magritte. Le balcon de Manet, 1949

Woensdag 24 – 03 – 21

In gedachten sleep ik mijn voeten door de straten van mijn verloren jeugd. Alles stinkt hier naar onvervulde dromen en opgebrande tijd.  Mijn vingers beven en met de grootste moeite steek ik de vijfde sigaret van de dag aan. Terwijl ik mijn longen teer laat proeven, kijk ik met verkleinde pupillen naar mijn oude buurt. Mijn grootouders hadden velden en veen gekend, ik moest het stellen met betonnen appartementsgebouwen en vestimentair gefaalde marginalen die hun dun gezaaide hersencellen opzadelden met meerdere xtc-pillen per week. Een ex van me noemde het ooit Wit-Rusland In-‘t-Klein. Maar voor mij blijft het mijn geboortedorp, bezaaid met herinneringen. De plek die me gemaakt heeft tot wie ik nu ben. Het dorp dat aan mij plakt als een lipoom op de schouder. Daar blijvend tot de dag dat ik sterf.

© Joseph Beuys, I like America and America likes me, 1974

Woensdag 17 – 03 – 21

Gisteren heb ik iemand zijn gezicht bewerkt met een vork. Waarom? Ik kon het niet laten passeren. Hij begon over mijn wezen en mijn houding ten opzichte van alles en iedereen. ‘Wat hebt gij eigenlijk al gedaan in uw leven buiten kankeren op een ander?’ Na het uitspreken van die woorden kon je zijn gezicht niet meer als gaaf bestempelen. Mijn hoofd duldt geen shit meer. Ik keek naar hem met die vork in mijn handen. We aten samen een vegetarische dagschotel, ergens in een denkbeeldig restaurant. Ik voelde hoe mijn haat uitbrak bij het horen van die uitspraken. Mijn vingers die de steel omklemden en uithielen zonder ratio en begrip. De tanden doorkliefden zijn huid en bogen op het bot. Ik stak opnieuw en opnieuw. Een oogbol werd geperforeerd en kraakbeen gekneusd. Opgefokt keek ik naar het slagveld waar ik verantwoordelijk voor was. Ik haalde adem en was klaar om afscheid te nemen. Ik deed teken naar de dichtstbijzijnde serveuse. ‘Mag ik de rekening alsjeblieft?’ Ik zocht op de tast naar mijn portefeuille, ‘graag alleen mijn deel, als het niet geeft.’

© René Magritte. La Reproduction interdite, 1937

Woensdag 10 – 03 – 21

Mijn sansevieria en ik zwierven woensdag rond in Gent. We kwamen van nergens en gingen nergens naartoe. Ik hield haar stevig bij de pot vast en kuste haar bladeren zonder rekening te houden met al wie onze liefde niet begreep. We liepen voorop in de fanfare zonder honger en dorst. We hadden samen een pact gesloten om enkel nog op water en licht te leven. Al de rest mocht voor ons naar de kloten. Wij hebben genoeg van alles dat uit te veel moleculen bestaat. Wij willen een leven zonder honger en dorst.  

© Stanley Kubrick, Dr. Strangelove, 1964

Woensdag 03 – 03 – 21

Ik kots wat in mijn eigen mond en laat het braaksel op de tong rusten. Beter traag inslikken dan reageren op de woorden die op mij afkomen. Ik focus mij op de gisting in de mond en schakel het verstand uit: op woensdag luister ik niet naar onbevoegden. Ik wacht het juiste moment niet af en wandel weg zonder iets te zeggen.  Al dat gezeik is het vernoemen niet waard.

© Adriaen Coorte, Stilleven met asperges, 1697

Woensdag 24 – 02 – 21

Ik heb vandaag in een park gezeten. Voorzien van  short en trui. Zeventien fucking graden in februari; zelfs de duiven weten niet waar te vliegen. Mij kan het niets schelen. Ik leg mijn benen languit op een deken dat het grondvocht tegenhoudt en luister ongewild naar muziek van groepjes jongeren die naast ons hangen. Ik zie mezelf nog steeds als een van hen, maar bij het ontwarren van al die verschillende klanken weet ik dat dit ik mezelf iets voorlieg. Mijn ziel is onlosmakelijk verbonden met de vorige eeuw. De tijd waarin de pest niet werd opgelost met mondmaskers, maar met een fles whisky en vers fruit. Voor die schoolplichtige ben ik niets meer dan een oude zak. Afgeschreven en kansen verspeeld.  Ik knik instemmend. Niemand knikt terug.   

© Hugo Ball (1886 -1927)

Woensdag 17 – 02 – 21

Als ze mij ooit begraven, liefst met een sigaret in mijn bakkes. Vers aangestoken. Als er rook uit de kist komt, mogen ze die openen, maar het is geen verplichting. Ik kon vandaag aan niets anders denken en heb dan maar mijn uitvaart uitgeschreven. Allereerst wil ik een zwarte kist met in het goud mijn initialen erop. Mijn beste vrienden krijgen de taak de kist op de schouder te leggen en mijn overblijfselen op de tonen van There will be no next time van The Kids de kerk in te dragen. In de kerk worden foto’s van mijzelf op het retabel geprojecteerd. Al wie mee op de foto staat, wordt afgeknipt. Centraal aan het altaar wordt mijn kist schuin rechtgezet. Zeker niet horizontaal: ik sta liever dan dat ik lig; in de dood zal dat ook wel zo zijn. Iedereen ratelt wat verhalen over me af, liefst zo theatraal mogelijk, en afsluitend bindt er iemand mijn kist op het dak van een veel te kleine auto en voert me naar een veld in Beveren. Op dat veldje staat een muziekinstallatie en een paar vaten Duvel. Ze mogen doen wat ze willen, maar ik wil als de laatste man op dat feestje blijven staan. De volgende ochtend leggen ze mijn kist op een zelfgemaakt vlot in het Albertkanaal en steken mij in de fik. Hoe ze dat doen, moeten zij zelf maar uitzoeken.

© Vincent Van Gogh, Kop van een skelet met brandende sigaret, (Antwerpen) 1886

Woensdag 10 – 02 – 21

Roekeloos zijn zonder het juiste moment af te wachten, is een van mijn favoriete zondes. Liefst onder invloed. Ergens zwevend met wijn in mijn bakkes. Linkerhand zwaaiend op een ritme dat ikzelf verzin. Ik draai rondjes tot de fles op is en mijn hand gevuld moet worden. Al zwalpend strompel ik over de benen van een oude kruk. Ik kan mezelf nog net rechthouden. ‘Niets aan de hand’, gebaar ik. Mijn lijf oprapen en op naar die refill. Ik ken de barman. Hij duldt mijn overgedreven gebaren en gooit de lege fles achter zich de houten krat in. In een rechte lijn schuift hij de volgende mijn kant op. Ik maak een diepe buiging, ren enthousiast de dansvloer op en knal – bakkes eerst – de grond op.

© Dallas News, Lawrence Jenkins, 2021

Woensdag 03 – 02 – 21

Ik geloof in de eindigheid van het bestaan. De chaos die de poorten opent en eeuwige orde voorziet. Gedaan met leven op woensdag en boven mijn moeder wonen. Het is niet dat ze slecht kookt, maar ik vind de daad op zich kleinerend. Alsof ik mijn zeventienjarige ik ben en om een bepaald uur thuis moet zijn voor aardappelen met vlees. Bien cuit. Iedereen moet nu thuis zijn. Als het licht van de computer op mijn gezicht valt, voel ik mij niet eenzaam. Dan geloof ik in Pornhub en het abseilen van mijn broek en onderbroek. ”Ik kom zo, moeder.”

© Fritz Gerhard Mayr, Wotrubakirche , 1974 – 1976

Woensdag 27 – 01 – 21

Het nieuwe jaar is voorbij. Of beter: het nieuwe is eraf. De verwondering maakt plaats voor de desillusie. De baseball bat vol op mijn gezicht. Ze zeiden dat het nieuwe jaar beter zou zijn. Cafés open, ik op zoek naar een nieuw lief; dansen op de tafel zoals de windman tijdens de zomer van Antwerpen in 2003. *Someone turned the heat on, honey* Maar het blijft koud. Geen knuffels en afstand tussen mij en elk ander stuk vlees. Ik ben het beu en verwens die toestand de builenpest toe. Misschien klopt het ooit nog wel eens, maar niet vandaag.

© Georges Méliès, Le voyage dans la lune, 1902

Woensdag 20 – 01 – 21

Gisteren was het dinsdag. De dag voor mijn wekelijkse maandstonden. Hevige buikkrampen doen de avond voor de Apocalyps mijn gemoed zakken, angst en snot vullen langzaam mijn kop. Het is historisch zo gegroeid dat ik malfunctioneer in het midden van de week. Misschien is het mijn afkeer voor symmetrie en evenwicht die mijn gemoed doet zakken. Ik weet het niet. Als kind kroop ik op woensdag al kreunend en zagend het bed uit. Mijn eerste gewaarwordingen waren die van het niet willen bestaan. Het is een dag dat ik twintig keer over mijn schouder kijk en mijn anders voel dan de rest. Geviseerd door een kalender waar ik geen vat op heb. Nu als volwassenen sluit ik mij op en rook ik het dubbel aantal sigaretten dan normaal. Opsluiten en naar mijn pc staren. Zij is mijn psychologe die luistert en alleen maar hapert als ik te veel zaag. Ik betaal met de rode aderen op mijn ogen en als de sessie voorbij is, klap ik haar zonder een ongemakkelijke stilte dicht.

© Fritz Lang, M – Eine stadt sucht einen Mörder , 1931

Woensdag 13 – 01 – 21

Deze nacht stond ik doodsangsten uit. Zeven uur lang werd ik achtervolgd. Door beren, Voornamelijk uitgehongerde grizzly’s die het op mij gemund hadden. Ik wens het mijn grootste vijand niet toe en als er nu één dier is – buiten bloedzuigers, teken, haaien en gevogelte – waar ik panische angst voor heb, zijn het beren van een soort die je enkel in Noord-Amerika vindt. Ik herinner mij flitsen van bruine monsters die zich door mijn achterdeur en ramen binnen wurmen. Op zijn Hitchcockiaans deelde mijn droom zich op in close- ups van ontblote tanden versierd met speekseldraden, brullende beren en een panische ik die als een gillende dertienjarige trut door eindeloze gangen rende. Flaterend. Ik had dood moeten zijn, maar toch werd ik de volgende ochtend wakker. Zo zien mijn woensdagen eruit. Ik weet ook niet waarom, maar het is alsof de hele kloteweek mij spaart en dan die dag – die qua naam op niets slaagt – alle kanker op mij loslaat. Soms overdag, soms ’s nachts en nog vaker de klok rond.
© Duane Michals, The Human Condition, 1969

Sam Sterckx (1985, Antwerpen) is een schrijver en fulltime cynicus. Voornamelijk op woensdag.

2 reacties

  1. Amai, knap geschreven maar toch ook zwaar om te lezen hoe het leven voor jou verloopt, het maakt me een beetje verdrietig… Als je nood hebt aan een babbel… Liefs. Uw grote nicht… Van inmiddels ook al 50 jaar… Anke xx

    Like

    1. Dag nicht,

      Bedankt voor je berichtje. Ik had het nodig. Hing gisteren met één been uit het raam. Klaar om alles op te geven. Geen gedachten meer. Geen niets meer. Maar toen las ik jouw woorden en kon ik weer even verder. Eindelijk iemand die contact met zoekt.
      Hopelijk stopt de pijn ooit.
      Maar wie weet morgen wat brengt.

      Afgestompte groeten,
      Sam

      Like

Een reactie plaatsen

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s