Home

KOTSEN OP WOENSDAG

Alle andere dagen ben ik best oké

Woensdag 04 – 05 – 22

In de rapte een lijn coke opsnuiven en verdwijnen in de massa. Armen de lucht in en dansen, zoals voeger, met moeder op de veranda. Samen de ledematen zo ver mogelijk uitstrekken en proberen de zon te vangen. Moeder die de tanden bloot lacht en heel even haar zorgen vergeet. Die new age dansmoves heb ik van haar geërfd. Mijn verslavingsgevoeligheid ook. Zonnebril aan en de sterren strelen. Ik ben de windman die zonder aankondigen de dansvloer inpalmt. Met overdreven bewegingen maak ik de moderne dans terug hip. Jezelf smijten en een enkele traan laten lopen om momenten die nooit meer zijn. Razen door de ruimte en per ongeluk een pint omstoten van iemand die jou als straf voor de rest van de avond scheef aankijkt. Ik heb het schijt aan mensen die niet durven zeggen wat er op hun lever ligt. Laat staan voelen. Zeg me wat je echt denkt en ik toon je mijn ziel. Hoe rot ook. Zet een masker op en ik vergeet je, nog voor je goed en wel bestond. Ik lach naar zij die even weg zijn als mij. Oogcontact maken en vragen of ik mijn handtekening op haar borsten mag zetten. “Waarom?” Blijven dansen en terwijl de achterblijvende restjes blow uit het neusgat opkuisen. “Gewoon, daarom.”
© Kunstwerk: Michelangelo Pistoletto, Cappio, 1973 (aangepast)

Woensdag 27 – 04 – 22

Gas geven, sigaret opsteken en rijden zonder te weten waarheen. Autostrades vermijden en op goed geluk links of rechts afslaan. Het is lente, kinderen spelen verstoppertje op een plein. Blonde haren verraden een meisje dat schuilt achter een heg. Nu lacht ze nog. Weet zij hoe het later verder moet. Maar wat kan het mij schelen, ik denk alleen maar aan wat in het verleden ligt. De zon prikt in mijn ogen. Ik wil het stuur loslaten en om het even wie meenemen in mijn val. Niemand die bij het opruimen een verschil ziet tussen voorbedachte rade en in slaap vallen achter het stuur. Dan toch maar de wagen parkeren aan een verlaten veld. De benen streken en zuchten tot er gal mee naar boven komt. Ik sleur mezelf over een olifantenpad. Joint rollen en er extra veel indraaien. Aansteken en blijven wandelen tot de weg doodloopt. Een mens duikt op in de verte. Het is een jonge vrouw die volgens mij veel te vroeg aan kinderen is begonnen. Ze heeft haar kroost thuisgelaten en is met de hond op stap. Eindelijk een moment voor haar alleen. De hond lijdt duidelijk aan overgewicht en snapt niet waarom zijn baasje hem zo hardhandig voorttrekt. Een surreëel tafereel, ik kan niet stoppen met staren. “Hij zit aan de antidepressiva,” snauwt ze me toe bij het kruisen. “Sorry, het was niet mijn bedoeling om,” ik hurk me en laat de vetzak aan mijn vingers ruiken. “Geeft niet,” zegt ze, “mag ik eens trekken?” Haar ogen verraden een leven vol gebruik en misbruik. Ik stem toe en lach, voor het eerst oprecht in maanden.

© Kunstwerk: Richard Long A Line made by Walking, 1967 (aangepast)

Woensdag 20 – 04 – 22

De waanzin neemt het van me over. Ik kan het niet anders beschrijven. Een paar seconden geleden stond ik het gezicht van die klootzak nog te verbouwen, kraakbeen opensplijten en dat soort dingen, nu sta ik opnieuw aan de spreekstoel. Niets aan de hand, geen vlek op mijn kleren, iedereen ongedeerd en allemaal getuigen van mijn black-out. De zoveelste op rij. Ik neem een slok van mijn pint en praat verder over het fenomeen seks als een noodzakelijk kwaad om toch iets te voelen, al is het met iemand waar je beter niet bovenop ligt. Op het einde sluit ik af met een sneer naar mijn eigen tekortkomingen om te leven en lief te hebben. Smartphones op mij gericht en ongegeneerd filmen. Ik ben een kermisattractie geworden, voor tien euro krijgt iedereen de kans om een ritje te maken en al wat ik zeg te bewerken en online te posten. Mezelf verkopen voor een enveloppe en enkele drankbonnetjes. Net voor ik iets wil zeggen, strompelt de pedo het podium op en applaudisseert als eerste om mijn aanhoudend geratel. “Of er nog vragen van het publiek zijn?” Ik rol een sigaret zonder de zaal aan te kijken. Mijn blik op de handpalmen, focus op de rimpels en de groeven die als seismografische trillingen over mijn handen lopen. “Excuseer,” een vrouw staat recht, “wie ben jij om een ander zo mee te nemen in jouw miserie.” “Mevrouw ik,” nog voor ik goed en wel iets gezegd krijg, scheldt ze me de huid vol. Ik rol mijn saf rustig verder, steek ze op en ga voor de microfoon staan. Lichten uit, here we go again.
© Tracey Emin, I was too young to be carrying your Ashes, 2017 – 2018 (aangepast naar zwart-wit)

Woensdag 13 – 04 – 22

Opgefokt stap ik van mijn auto naar de zoveelste polyvalente zaal. Ik ben te laat. Een man die zich als pedo lijkt te kleden, staat me buiten op te wachten. “Meneer Sterckx, daar bent u.” Hij stopt me een enveloppe en enkele drankbonnen toe. “Staat er een assenbak en pint klaar?” De pedo knikt en vraagt me veel te braaf de zaal te betreden. Ik walg ostentatief van hem, slik een rochel in en duw de deur open. Binnen staat een derderangsfiguur een lied van Johnny Cash te verkrachten. Mijn eerste voorprogramma ooit, gehuld in een zouteloze ring vol vuur. Hij sluit af met kattengejank en krijgt toch applaus. “Wordt het zo’n avond?” Ik steek mijn sigaret op en storm, nog voor de pedo de kans krijgt mij in te leiden, het podium op. “Kan het erger?” Met mijn ellenboog duw ik de Johnny Cash lookalike de schijnwerpers uit en eis de ruimte op. “Gisteren heb ik voor het eerst sinds lang,” ik laat mijn notitieboekje links liggen en verkondig wat het moment me ingeeft, “mijn ex geneukt.” Stilte vult de zaal op. “Ze was vanonder geschoren en rook naar seringen.’’ Ik neem een slok en hoor Johnny Cash lachen op de achtergrond. “Toch kreeg ik hem niet recht, het zegt veel meer over mij dan over haar, ik weet het. Maar een schoon lijf doet me niets meer,” de mislukte lookalike blijft maar lawaai maken, “draai je hoofd drie keer om en al wat overblijft is rottend vlees.” Uit mijn ooghoek zie ik Johnny de slappe lach krijgen en met zijn gezwollen vingers naar mij wijzen. Ik laat de pint vallen en voel mijn hoofd ontploffen. Als een bezetene spring ik het podium af en slaag hem vol op zijn gezicht. Beuken op de neus. Beuken tot het bloed op mijn gezicht spat. “Wie lacht er nu?”

© Afbeelding kunstwerk: Gregor Schneider, u r 1, Haus u r, 1986 (aangepast naar zwart-wit)

Woensdag 06 – 04 – 22

Ik ben het lijk dat door eerstejaarstudenten geneeskunde wordt opengesneden. Daar lig ik dan, het lichaam koud en de ziel vergeten. Overgeleverd aan zij die niets van het leven kennen. Snijden om te verminken, maar dan voor het eerst zonder pijn. Gebruik mij en gooi mij weg, zet me op en plaats me in een witte ruimte. Laat zorgeloze kinderen naar mij gapen en met vuile vingers naar me wijzen. De mond open en de walging nabij. ‘’Meester, ziet de gefaalde mens er echt zo uit?’’ De klas knikt en niemand ziet ooit nog wie ik echt was. De tijd waarin ik mijn eigen dromen najaagde is al lang voorbij. Al het dierbare, opgeslokt door de wreedheid van de tijd. Angstkreten in de eindeloze leegte en glasscherven in de handen. Ik brul de kamer bijeen. Michelle wordt wakker. Ze streelt de rimpels op mijn voorhoofd en kust me zachtjes. Niemand heeft haar ooit geleerd voorzichtig te zijn.
© Afbeelding kunstwerk: Wolfgang Tillmans, Arms and Legs, 2014 (aangepast naar zwart-wit)

Woensdag 30 – 03 – 22

Hard onderuitgaan op één van de drukste straten van Antwerpen is hilarisch voor iedereen die toevallig in de buurt is en zin heeft in een sessie uitlachen-op-mijn-kosten. Nek naar de klote en het bewustzijn verliezen. Ik herinner me niets meer na de val, zwart gat en weg, een treinticket kopen zonder te weten waarheen. Ik was klaar voor een afscheid in mineur, geen orkest met blazers, geen kleffe speeches over al mijn zogenaamde kwaliteiten. Geef mij maar een eenzame klaagzang zonder genodigden. Enkel Michelle heeft zichzelf uitgenodigd. Ze giet een flesje water over mijn hoofd leeg en fluistert me iets onverstaanbaars toe. Wanneer ik mijn ogen open, zie ik haar krullen boven me hangen. Ze ruikt naar badparels en wilde bloemen. Ik probeer met mijn verdoofde armen haar silhouet te vangen en niet meer los te laten. Ondertussen heeft de Indische nachtwinkeluitbater zich in mijn gezichtsveld genesteld. Hij vraagt of ik iets met suiker wil kopen. Ik vraag hem op mijn beurt om naar Mumbai te verhuizen en richt mijn complimenten op zij die mij gratis en voor niets helpen in tijden van nood. “Wat speelt er toch allemaal in dat hoofd van jou.” Michelle wrijft over mijn wang zonder ze echt aan te raken. “Ik heb daar kak wonen, wist je dat nog niet?”

© Afbeelding kunstwerk: Ron Mueck, Youth, 2009 (aangepast naar zwart-wit)

Woensdag 23 – 03 – 22

Wakker worden om twee uur in de namiddag is een gewoonte geworden. Ik kreun onder de hitte van de voorjaarszon en rol als een afgeslachte zeehond het bed uit. Bakkes eerst en dan verder kreunen. Een half uur later opstaan met een afdruk van de plankenvloer op mijn gezicht. Het is toch al onherroepelijk beschadigd, zowel langs binnen als langs buiten. Vlotte draai aan de volumeknop en douchen op de tonen van een verslaafde rocker die kermt over het leven en de bijbehorende lusten. De spiegel vermijden en dezelfde kleren als gisteren aantrekken. Ik wandel voldoende verdoofd de nachtwinkel binnen. Wankelen om te vergeten, strompelen alsof je de B-film van je leven instapt. Vandaag is zo’n dag. Ik voel hoe ik mezelf verlies, mijn lichaam staakt en het evenwichtsorgaan laat het langzaamaan afweten. Mijn hand rust op een winkelrek en ik duw weerspannig om mezelf recht te houden. Na een korte strijd valt het rek met zoute en zoete snacks de grond op. De eigenaar vloekt in het Indisch en waait mijn aanwezigheid weg. Ik kijk er niet meer van op. Vrede nemen met wie ik geworden ben, is een understatement. Om me heen wandelen schimmen die ik ooit ergens eerder zag. Ik waggel verder op geleende tijd en teer. Bij elke adem kuch ik het leven mijn longen uit. Ik ben gedoemd om te klinken als een doorwinterde clochard zonder toekomst. Een fluim op de grond, een hand op mijn schouder. “Sam, ben jij dat?” Terwijl ik de resten speeksel met de rug van mijn hand van de lippen afveeg, zie ik ze staan, knapper dan ze ooit was. Michelle. Ik fluister haar de naam de wind in en knal de grond op. Licht uit.
© Afbeelding kunstwerk: Jannis Kounellis, Untitled, 2006 (aangepast naar zwart-wit)

Woensdag 16 – 03 – 22

Vier uur ‘s morgens en ik word wakker, ergens in een vuil en donker hol. De handen op de rug gebonden, hoofdtelefoon over de oren en ongewild luisteren naar “The Best of Celine Dion”. Mijn kop doet zeer en het hart wil ophouden met slaan. Ik roep om hulp en zie geen steek. Een hand duwt een sigaret in mijn mond. Ik weiger, maar er is geen ontkomen aan. Na enkele seconden van protesteren, zuig ik als een pasgeborene aan een verse tiet. Langzaam stikken tot een scherpe nagel over mijn lippen en langs de neus glijdt. Ik herken de geur en spuug de sigaret uit. “Michelle,” roep ik, “what the fuck, laat me hier uit.” Ze lacht, doet het licht aan en trekt langzaam haar kleren uit. Ongewild voel ik hoe mijn lul op de klanken van mevrouw Dion opzwelt. Ik schaam me kapot, maar kan het niet weerstaan. Ik wil haar proeven, likken en simpelweg ondergaan. “Meneer Sterckx,” een oudere vrouw schudt me wakker, “het is aan u.” De bejaarde trut trekt in de verste verte niet op de jonge vrouw met wie ik ooit de lakens deelde. “Geef me eerst nog een koffie, zwart, alsjeblieft.” Ik wijs naar de percolator achteraan in de zaal. “Geen tijd,” zegt ze. Ik protesteer en beschrijf gedetailleerd hoe ik haar verzuurde baarmoeder langs het strottenhoofd zal verwijderen, zonder verdoving en enige kans op herstel. Enkele minuten later sta ik met een heet plastieken bekertje in de hand de menigte toe te spreken. Ik tel twintig man extra, al bij al.

© Afbeelding kunstwerk: Erwin Wurm, One minute Sculptures (detail), 1998 (aangepast naar zwart-wit)

Woensdag 09 – 03 – 22

Twee uur lang over jezelf zeiken is vermoeiend. Ik denk aan stoppen en verdwijnen in een achterkamertje. Alleen, met een joint in de mond en mijn lul in de hand. Trekken tot het blauw in purper overgaat. Uiteindelijk blijf ik maar lallen. Doorgaan tot het notitieboekje lege bladzijden aangeeft. Om dan onverwacht af te sluiten op het ritme van gekuch en mager applaus. Ik schud het van me af en schuifel naar de toog. De mentale leegte opvullen met gratis alcohol. Sigaretje opsteken en vragen beantwoorden van zij die psychisch gestoorder zijn dan yours truly. Uren praten over de teloorgang van mijn eigen soort. Alsof ik van de ene op de andere dag verheven ben tot de patroonheilige van de hopeloze gevallen. Weg met de heilige Rita en haar rozenkrans. In mijn stiel kan een man de job van een vrouw nog afpakken. Maar eigenlijk ben ik niets meer dan een valse profeet. Een charlatan, zoals al de rest. In de auto naar huis denk ik aan die brug en de wending van het lot.
© Afbeelding kunstwerk: Sun Yuan & Peng Yu, Can’t help myself, 2016 – 2019 (aangepast naar zwart-wit)

Woensdag 02 – 03 – 22

Opstaan en pillen slikken. Twee blauwe en één groene. Ik heb vorige week zo mijn eigen adresjes geregeld. Zonder vallen, is geen optie meer. De inzinkingen komen als sloophamers op me af. De wereld verscheurt en ik val door de spleten de eindeloze diepte in. Verzwolgen en niet gemist. Een nieuwe dimensie van het niet-meer-willen-zijn. Slikken, koffiedrinken en dan toch verdergaan. Een zelfverklaard dieet dat ik combineer met het niet meer lezen van de rotzooi die ze over mij schrijven. Gsm, letterlijk, in het toilet gooien en enkel nog communiceren via Facebook. Monoloog na monoloog. Het nieuwe normaal van contact hebben met elkaar. Drie uur later en ik sta in Erps-Kwerps wortel te schieten aan dezelfde parochiezaal van weleer. Roken met mijn rug naar het volk. Ik wil binnenkomen als Hitler. Staande ovatie en handjes in de lucht. ‘’Het is aan u,’’ fluistert één van die sukkels in mijn oren. Zonnebril aan en rocken. Op de tonen van “Loser” de zaal instrompelen. Evenwichtsorgaan verziekt door de groene pil, dan maar stiekem nog één. Ik spreek het volk toe en feedback galmt door de zaal. Vijftig mensen verspreid over een ruimte die vier keer zo groot is als mijn appartement. Heerlijk. Ik stamel woorden over mijn dromen en steek de volgende sigaret op. Zwart notitieboekje erbij nemen en kotsen.

© Afbeelding kunstwerk: Hans Op de Beeck, Vanitas (variation), 2015 (aangepast naar zwart-wit)

Woensdag 23 – 02 – 22

Halfnaakt slenter ik de trap op. Tas koffie in de hand en een joint in de ander. Ik wentel mezelf in de rol van het verstoten zondagskind. Ongewenst door zichzelf, miskend door de rest. Op de achtergrond mekkeren de onderburen over de luide pubermuziek die mijn routine van het nietsdoen begeleid. Bed induiken, laptop op de schaamstreek, joint tussen de tanden en typen zonder nadenken. Die lozers van vorige week hebben een Facebookpagina gemaakt met mijn naam en kop erop. Getiteld: De andere kant van het verhaal. Hoe saai is dat? Zelfs een mestkever met drie poten heeft meer fantasie. De deletetoets indrukken en een naam zoeken die dichter tegen de afgrond aanleunt. Ik steek mijn vingers in de mond en denk aan kotsen. Kotsen op gisteren, op vandaag. Kotsen op woensdag, met een klemtoon op alle-andere dagen-ben ik-best-oké. Yeah, right. Ik fulmineer over wat me de voorbije maanden is aangedaan. Blindstaren op de afstand tussen de woorden, teer in de longen voelen en dan toch die zelfingenomen onzin wissen. De gedachten herschrijven. Ik kots op mijn eigen wandaden, op de reacties van zij die meer gemeen hebben met een weekdier dan met een mens. Fuck al die likes. Ik druk op enter en sluit af met de woorden die door mijn slaapkamer galmen. “Like a soul without a mind, in a body without a heart, I’m missing every part.”
© Afbeelding kunstwerk: Edward Kienholz, Five Car Stud, 1969 – 1972 (aangepast naar zwart-wit)

Woensdag 16 – 02 – 22

Een week later en ik zit op een plooistoeltje in één of andere parochiezaal. Het ruikt hier naar bingoavonden en goedkope bodega’s. Ik hoor mezelf ademen en heb geen flauw idee waarom ik hier ben. Waarom ik er überhaupt nog ben. Vorige week was een hel, op staande voet ontslagen. Meer dan tien jaar mijn tijd gestoken in het cultiveren van kleinburgerlijke schapen. Waarom eigenlijk? Ontheven uit mijn diensten, alleen maar omdat ik één keer mijn ziel blootleg, beken dat ik af en toe een jointje blow en het schijt heb aan alles en iedereen. Bende hypocrieten. Zelfs Michelle belt niet meer. Ik heb haar berichtjes gestuurd, maar de lente heeft plaats geruimd voor een barre winter. Dan maar zielig in mijn bed ruften, de televisie opzetten en mijn kop op het journaal zien. “Man stort in op lezing Ugent.” Heel mijn zijn gereduceerd tot zes woorden. Ik kan mijn kot niet uitkomen of ik word gebombardeerd tot junkie en paria. Soms antwoord ik met een middelvinger. Op andere momenten zet ik mijn zonnebril op en ontwijk gure figuren. Straks moet ik nog verhuizen naar één of ander boerengat. Zoals dit kutzaaltje hier. Rond mij niets anders dan mislukte gedrochten die mij aanstaren, alsof ik weet wie ik ben. Ze zitten hier al drie uur te zeiken over mijn heldendaden. De lans die ik breek voor zij die hun mond niet durven open te trekken. Ze hebben zelfs een fanclub opgericht. Of ik er af en toe een tekstje voor wil schrijven. En over twee weken nog zo’n lezing wil geven. Ik neem de derde goedkope pint aan, “even mijn agenda checken.” Alles is leeg. Ik knik en zuip om te vergeten.

© Afbeelding kunstwerk: Mark Manders, Composition with short verticals, 2010 (aangepast naar zwart/wit)

Woensdag 09 – 02 – 22

De lezing is nog geen vierentwintig uur afgelopen of mijn mailbox bulkt van de berichten. Die achttienjarige pubers hebben alles opgenomen en online gezet. Elk woord, elke frustratie, alle donkere gedachten, met de wereld gedeeld. Mijn telefoon gaat onophoudelijk over en de hoofdpijn is niet te harden. Ik plooi mezelf op tot het ongeboren kind dat ik ooit was. Geen moeder om mijn ondergoed te verversen, geen cola zonder prik om mijn mentaal bij te staan. De wens om eeuwig te verdwijnen, is groter dan ooit. Ik huil om mijn eigen nutteloze bestaan. Om mijn rottende ziel die liever verborgen was gebleven. De buurvrouw zal me nooit meer hetzelfde aankijken. Nu weet ze voor altijd wat ik van haar en de rest van die klotewereld vind. Misschien moet ik naakt van de brug over de Ring springen? Splash, de grond op. Een laatste rimpel veroorzaken en dan terugkeren tot stof en niets. Ik besluit een jas en een broek aan te trekken, want de ongewilde, nieuwe, bekende Vlaming in mij blijkt toch enige vorm van schaamte te kennen. Ik doe de deur open en steek de laatste joint ooit aan. Zijn vriendschap inhaleren en denken aan die mooie momenten samen. Met een verwaaid hoofd zwalp ik tussen de claxonnerende auto’s door, op weg naar die laatste hindernis. Op de brug kijk ik naar het leven dat voorbij raast. Met mij of zonder mij. Ik smijt de peuk als verkenner voor mij uit. De sprong zal wel diep genoeg zijn om mij uit te wissen. Uit gewoonte kijk ik voor een laatste keer op mijn smartphone. Het toestel gaat over en ik neem op zonder na te denken. “Meneer Sterckx,” ik hoor een zachte stem op de achtergrond. “Voor wat is het, godverdomme, ik ben met iets bezig.” “Meneer Sterckx,’’ de stem houdt niet op, “wij willen u bedanken voor uw openhartigheid.” Ik draai mijn om en luister naar de man die mij tegenhoudt mijn dagplanning af te werken. Er valt niets meer te verliezen.
© Afbeelding kunstwerk: Bill Viola, Ascension (video still), 2000 (aangepast naar zwart/wit)

Woensdag 02 – 02 – 22

Gent, 2 februari 2022. Maanden geleden hebben ze mij gevraagd om een lezing te geven over kunst en waanzin. Moeder zei dat ik het moest aannemen. Enkele jaren terug deed ik niets anders. Na de werkuren de trein op om te praten over wat mijn grootste passie was. Mezelf verliezen in anekdotes waar een ander niet bij stilstond. Een inleiding geven over wat wij als normaal beschouwen, slechts een voile is om onze diepste gebreken te verbergen. Naadloos overgaan tot de kunstenaar die vanuit een obsessie niet anders kan dan zichzelf blootgeven. Overgeven aan driften die leiden tot expressie, dwang en waanzin. Nu sleur ik mezelf naar een aula vol ogen die dubbel zo goed werken als de mijne. Ik herken niets in hen, buiten hun debardeurs die mij doen terugkatapulteren naar mijn jeugd. Nul affiniteit voor zij die hier enkel zijn, omdat hun professor anders punten aftrekt. Voor vanavond heb ik niets voorbereid. Mijn aanwezigheid moet volstaan. Ik stap het podium op en denk aan vorige week, toen ik probeerde om Michelle iets te vertellen over mezelf. De echte ik. De aanzet was er, tot het strottenhoofd in een kramp schoot en ik als een zestiende-eeuwse troubadour niets anders kon dan de hoofse liefde te scanderen. De professor die ooit in mijn klas zat stelt me voor als expert binnen de materie. Ik scan de zaal af en voel hoe de leegte mijn ziel vult. Ik denk aan al de stront in mezelf en start, zonder slides, zonder censuur. Vanavond gaat het over de waanzin in mij. Schijt aan al wie hier geen boodschap aan heeft.

© Afbeelding kunstwerk: Walter De Maria, The Lightning Field, 1977 (aangepast naar zwart/wit)

Woensdag 26 – 01 – 22

Op café lijkt de tijd stil te staan. Het interieur heeft iets weg van een negentiende-eeuws salon, waar krakende luidsprekers er eindeloos het oeuvre van Erik Satie afspelen. De stamgasten gaan als melancholische poppen op in het decor. De ene rust met zijn hoofd op de krant, de ander staart het raam uit, op zoek naar verloren kansen en gedane zaken. Ik slurp van mijn koffie en wacht op haar. Ze spookt al weken door mijn hoofd. Met haar roze onesie nestelt ze zich in krochten die niet de hare zijn. Mijn gedachten gevangen tussen zwarte gaten en passionele seks. Haar aanwezigheid zorgt voor euforische stuiptrekkingen die niet de mijne horen te zijn. Ze heeft de kracht om dorre grond om te toveren tot een weide waar wilde bloemen groeien. Ik wacht op drama. Een gesprek waarin ze vraagt om afstand. Of we niet beter vrienden kunnen zijn. Tot ze binnenkomt en de duisternis moeiteloos wegvaagt. Ik neem haar zachte handen beet. Het moment afwachtend. Maskers laten vallen en haar vertellen wie ik echt ben.
© Afbeelding kunstwerk: Roger Ballen, Cat Catcher, 1998 (Courtesy Hamiltons Gallery, London)

Woensdag 19 – 01 – 22

Ik ben gisteren van mijn fiets geduwd. Te midden van de Brederodestraat. Een zatte kloot die mij te laat had gezien. Ik de grond op. Bloedneus en twee kiezen eruit. Eikel. Ik heb op zijn gezicht willen spuwen, maar mijn speeksel vloog alle kanten buiten de zijne op. Spoed binnen walsen alla de eerste de beste gefaalde witte man met wallen en een midlifecrisis. Of ik mijn mondmasker wilde opzetten. “Komt in orde,” spuugde ik en trok de veel te veel gebruikte pamper over mijn verminkte kop. Sms sturen naar mijn moeder, kwestie van gewoonte. Iedere dag hou ik haar op de hoogte. Geen antwoord, geen onvoorwaardelijke steun. Opnieuw klonk diezelfde stem. Of ik mijn paspoort bij had en de afgedragen verpleegster, rechts van mij, wilde volgen. Drie seconden later en het licht gaat uit. Dezelfde dag, twee keer de grond op. De derde is trakteren. Ik word wakker op een eenzame tafel ergens op de spoed. Wonden dichtgenaaid en gaten opgevuld. Die versleten vod van een verpleegster hangt boven mij. Ik probeer haar weg te waaien, maar het lukt niet. Ondertussen controleert ze de reactiesnelheid van mijn ogen. Haar adem stinkt en ze vraagt of ik met de kaart of de bank-app betaal. “Stuur de rekening maar op en bol het af, als je zo vriendelijk wil zijn.”

© Afbeelding kunstwerk: Lutgart Goossens, Oostende, 2022 (Aangepast naar zwart/wit)

Woensdag 12 – 01 – 22

Maandag en alles begint opnieuw. Opstaan, blowen, koffiedrinken en proberen niet te verwaaid voor de klas te staan. Die twee weken kerstvakantie zijn zinloos gebleken voor de zoektocht naar zelfinzicht. De mist in het hoofd gezwollen, niets uitgeklaard. Geen nieuwjaarsvoornemens, geen verbeteringen. Op school weet niemand iets over moeders begrafenis. Elk jaar opnieuw sluit ik mezelf meer en meer af van collega’s en al wie er zijn tijd uitzit. Ik ben die onbereikbare leerkracht kunstgeschiedenis. Hij die alleen maar aanblijft omdat die, tussen de mentale inzinkingen en tirades door, begeesterd vertelt over zij die iets magisch achterlieten. Bij de eerste echte psychose, sturen ze mij definitief op ziekteverlof. Daar zijn we nog niet. Ik dwaal af van de lesinhoud, katapulteer de notie van hedendaagse kunst op hun jeugdig smoelwerk en vraag hen stil te staan bij de begrippen obsessie, drift en dierlijk instinct. Geroezemoes deint uit. Rust in mijn hoofd.
© Afbeelding kunstwerk: Keith Haring, Untitled , 1982 (aangepast naar zwart/wit)

Woensdag 05 – 01 – 22

Onder mijn jeans draag ik een gescheurde panty. Eéntje van Michelle. Heimelijk aantrekken wanneer zij in de douche haar dagelijks deuntje kweelt. Geilen op haar benen. Van die lange lentescheuten die de opwarming van de aarde in januari aankondigen. Ik voel haar onbereikbaarheid op mijn benen tintelen. Moest ze weten wie ik echt was, zou ze me nooit zien staan. Alles wat ik meedraag, hou ik verborgen. Net een smeuïge tiramisu die bij het proeven eerder smaakt naar een massagraf dan amaretto met chocoladeschilfers. Ik rol een joint met één hand, laat een briefje achter en trek de voordeur dicht. Koptelefoon op en verdwijnen in de massa. Enkel de geur doet opvallen. Ik heb altijd een gangster willen zijn. White trash uit Merksem, opgeklommen uit loodsen van het Albertkanaal. Nu heerser van de grootstad. Ik knal alle fuckers omver. Bullshit. Deze bedrieger van niets komt eerder uit de geprivilegieerde middenklasse dan het armtierig bestaan. Daar waar alle kansen op een dienblad worden aangeboden. ‘‘Nog meer financiële steun, lieve schat?’’ Ik vraag me af of ik dit jaar nog leger kan zijn, wrijf zachtjes over mijn kruis en wandel de straat uit.

© Afbeelding kunstwerk: Tjalf Sparnaay, Het Cunen Ei , 2018 (60 x 60 cm) (aangepast naar zwart/wit)

Woensdag 29 – 12 – 21

Restjes sperma drijven rond in het bad. We hebben net een zalige middag achter de rug en zij moet zo nodig pissen. Haar blaas ledigen, vlak na de climax. De zoveelste vrouw die mijn nageslacht afmaakt nog voor het bestaat. Ik probeer er niet bij stil te staan. Mijn gedachten dobberen weg in het badschuim. Gisteren zag ik een alleenstaande moeder die haar kind een kerstdiadeem had aangedaan. Zo van die rendieroren en bijhorende rode neus. Mijn blik kruiste de hare. Ze leek haar frustraties alleen met mij te delen. Alsof we beide niet begrepen waarom de mensheid zoveel nood had aan al dat fake gedoe. Ik bleef haar aangapen en hoopte dat ze mijn leegte kon voelen. Mij opvullen zoals alleen een gelijkgezinde dat kan. ‘’Hebben wij iets van u aan misschien?’’ De moeder bliksemt me neer met al haar opvattingen over vreemde mannen. Ik draai me om en verdwijn. ‘’Waar zit je toch met al die gekke gedachten van je?’’ Michelle komt van het toilet gehuppeld en springt het bad in. ‘’Klaar voor nog een rondje?’’
© Afbeelding: Antonello da Messina, Kruisiging (detail), 1475 (aangepast naar zwart/wit)

Woensdag 22 – 12 – 21

Ik ben kapot. Het enige wat me vanavond lukt, is aan mezelf komen en pijltjes naar een dartbord smijten. Allé ja, de darts vliegen eerder in de muur ernaast dan dat ze me punten opleveren, maar wat kan het mij schelen. Bier drinken en doen alsof die gaten zichzelf opvullen. Smartphone checken en wachten op een bericht. Ik heb al drie dagen niets meer van haar gehoord. Misschien vond ze de seks wel erger dan dat het was. Kan altijd. Bij mijn ex kreeg ik hem vaker niet, dan wel recht. Een defect waar een groot onderhoud niets aan verhelpt. Noem het een perte totale waar je zelfs in Roemenië niet meer mee op de baan komt. Ze had het druk, zei ze. De vrouw heeft meer hobby’s dan dat ik donkere gedachten heb. Ik kom aan mezelf, staar naar de gaten in de muur en fantaseer over haar poes. Nat en veel te opgewonden. Ik blijf maar aan die levenloze pook sleuren, tot plots mijn been trilt. Een sms’je. Ze vraagt of ik deze week tijd heb. Weet zij veel.

© Afbeelding: Cy Twombly, Untitled (Bacchus), 2008 (Courtesy of Tate Modern) (aangepast naar zwart/wit)

Woensdag 15 – 12 – 21

Vanavond is het zover. Voor het eerst in een jaar tijd heb ik een date met iemand die geen sekswerker lijkt te zijn. We hebben afgesproken aan een klein restaurantje vlakbij het station. Zij ging iets blauw aantrekken. Ik koos voor zwart. ‘‘Zoals Johnny Cash’’, zei ze. ‘‘Ik dacht eerder aan het oneindige niets,’’ typte ik. Ze stuurde een smiley terug. Daar aan de deur wacht ze op me. Overdreven enthousiast zwaait ze mijn kant op. Ik twijfel even om haar links te laten liggen, honderdtachtig graden draaien en huiswaarts keren. Maar haar onhandigheid trekt me aan. Ze valt op in de grijze massa. Ze lijkt immuun voor de koude stenen en de druilerige herfst. We geven elkaar een zoen die onbedoeld een stukje lippen bedekt. Ik excuseer me. Zij zegt dat het niets is. Tijdens het hoofdgerecht praten we nog steeds over haar. Haar appartement, haar langharige poes en een mannelijke kat die Sebastiaan heet. Dat van die poes is gelogen. Maar het idee prikkelt me meer dan het stuk eendenborst dat voor mijn neus ligt. Ze vraagt naar mijn leven. Ik lieg en over alles en iedereen. Vanavond mag de nacht blauw zijn, met hier en daar een ster aan de hemel.
© Afbeelding: Paul McCarthy, Santa Chocolate Shop, 1997 (video still, aangepast naar zwart/wit)

Woensdag 08 – 12 – 21

Examentoezicht op een woensdagochtend. Het kan mijn rug op. Heel de wereld is zwart. De vrouw die mij zesendertig jaar geleden uit haar vagina perste, is niet meer. Ik ben haar voor altijd kwijt. De gedachte aan haar aanrakingen doen mijn longen inklappen. Het leven is zinloos zonder haar onvoorwaardelijke liefde, haar onbaatzuchtige steun. Examens doorgeven en mijn tranen verbijten. Ik negeer de twintig pubers en dwaal naar vorig weekend af. Daar stond ik dan, alleen op het kerkhof, geflankeerd door flatgebouwen van gewapend betond. Een troosteloze plek waar men om de zoveel jaar lijken uit de grond hijst, op het stort dumpt en plaats maakt voor de volgende lading. Moeder ligt aan de rand. Ze had het niet anders gewild. Uren heb ik daar gestaan, gelegen, geschreeuwd, gebruld, geluld en alles op mij af laten komen. Praten over zaken waar ze niets van af wist. Nu zit ik hier al een uur achter een lessenaar en verdwijn in de wijzers van de klok. Dat ze spieken en hun schoolcarrière uitbouwen op leugens en bedrog. Het echte leven is niet anders. De klok voert me terug in de tijd. Zij, ik en het gewapend beton. Toen de nacht viel, heb ik haar voor het laatst een kus gegeven. Rechtsomkeer gemaakt en die griet van de supermarkt een sms gestuurd. Volgende week spreken we af.

© Afbeelding: Cindy Sherman, Untitled #359, 2000 (aangepast naar zwart/wit)

Woensdag 01 – 12 – 21

Onopgemerkt kan je alles zien. Ik doe niets anders. Volgens mij is het mijn grootste passie. Het enige dat mij in leven houdt. Ik ben constant op zoek naar verhalen om mijn bestaan op te vullen. Details die een ander niet opvallen, laat staan boeien. Neem nu die twee junkies op de tram. Ik gluur naar hun uitgemergelde koppen en denk aan verhalen over misbruik, zelfdestructie en weinig zelfliefde. Ik ben de koning van weinig zelfliefde. Ze zwalpen door de tram, dragen beide versleten leren jassen en kauwen op de kaken. Volgens mij staan ze stijf van de dope. Aan hun kledij te zien, iets goedkoop. Hun voorkomen schrikt het merendeel van het tramvolk af. Iedereen kijkt weg en probeert hun aanwezigheid te wissen. Wat je niet ziet, overkomt je niet. Ik kijk, al was het naar een reflectie van mezelf. Ik voel me aangetrokken tot zij die overboord vallen en zelden opstaan. Hen begluren tot ik mijn eigen leven vergeet. Dagdromen over wat hen in het verleden overkwam. ‘‘Ey klootzak, heb ik iets van u aan misschien.’’ De junkie verwart mijn romantische blik met een verwijtende. Hij maakt zich groot en ik wuif het ongemakkelijke weg. Kop in kas en mijn gsm bij de hand nemen. Voicemail. Ik luister zonder het nummer te kennen. De junkie verdwijnt op de achtergrond. Een verpleger spreekt langzaam. Fuck. Moeder is dood.
© Afbeelding: Joseph Mallord William Turner, Snow Storm, 1842 (aangepast naar zwart/wit)

Woensdag 24 – 11 – 21

Rond een uur of tien sta ik in de supermarkt met een pot kokosolie in de handen. Geen idee waarom. De communicatie tussen mijn brein en ledematen lijkt definitief gestopt te zijn. Net een appelsien die zonder reden uit een boom valt. Rotten tot de aarde niets meer teruggeeft. Mijn gedachten worden herleid tot losse flodders in mijn hoofd. Ik heb geen controle meer over waarom en waarover ik nadenk. Als een robot wandel ik naar de rayon vol veganistische brol. Ik kwak de pot zonder emotie tussen de boekweit en de tofu neer en dwaal door de droge voeding, richting de alcohol. De noodzaak leidt me naar de rum. Drie flessen. Goedkoop en sterk genoeg. Hersencellen doden en morgen opnieuw opstaan. Ik praat tegen mezelf en bots op een smartphone waar een mens aanhangt. ‘‘Kan je niet uitkijken als je met dat rotding in de supermarkt rondloopt.’’ Ik haat van die zombies die het leven onveilig maken op de fiets en in de winkel. Flauwe excuses volgen. Ik voel een preek opkomen zoals enkel de leerkracht in mij dat kan. Mijn hoofd draait, de pupillen verwijden, tot ik zie wie ik voor mij heb. Een jonge vrouw met krullend haar en lange benen. Ze schaamt zich zichtbaar. Ik weet plots niet meer waarom ik hier sta. Een lach ontglipt mij. ‘‘Wat dacht je van een kop koffie?’’

© Afbeelding: Elmgreen & Dragset, The Collectors (detail), 2009 (aangepast naar zwart/wit)

Woensdag 17 – 11 – 21

Aan het treinstation sta ik ontzettend lang te wachten op een trein die niet komt. Rechts naast me zit een lelijke trees op een gammele bankje een boek te lezen over zwanger worden na je dertigste. Iemand vinden om zijn lul in haar kut te steken, lijkt me al een opgave op zich. Links van me kweelt een zigeuner in een vreemde taal in het rond. Hij houdt niet op en kust zijn smartphone met het speeksel dat hij overvloedig uitspuwt. Ik walg van hem. Niet door zijn afkomst of zijn speeksel, maar door zijn uitpuilende buik en algeheel voorkomen. Het kost je niets om de onderbroek deftig op te trekken voor je de deur uitgaat. Of het nu nacht is of niet. Ik kanker inwendig op mijn lotgenoten en rook de één na de andere op het perron. Ik ga naar Brussel vanavond. Of toch ergens ver weg van hier. De dag verwerken tijdens de nacht. Liefst zo alleen mogelijk.
© Afbeelding: (M HKA) Berlinde De Bruyckere, Spreken, 1999 (aangepast naar zwart/wit)

Woensdag 10 – 11 – 21

Ik drink rode wijn in plaats van water. Praten lukt amper en ik duw mezelf het zoveelste café uit. Laat me gewoon de volgende ingaan, zonder mijn benen te breken over die dreigende stoeprand. Ik heb het schijt aan al wie mij recht wil helpen. ‘‘Laat me gerust,’’ schreeuw ik, terwijl ik probeer te spuwen, maar enkel mezelf bevuil. Ik heb het schijt aan al die valse beloftes en oppervlakkige vriendschappen. Dikke middenvinger naar de garçon die mij niet wil bedienen. ‘‘Hebt gij een idee wat ik voor de kost doe?’’ Ik lal over het belang van leerkrachten in de maatschappij, voornamelijk voor debielen zoals hij en krijg als bedanking een vuist in mijn middenrif gepland. Wat kan het mij schelen, ik voel toch niets. De zoveelste bocht naar links brengt me naar een café waar ze geen wijn serveren, maar wel rum en cola. Ik bestel er twee, kwestie van in te spelen op de drang van het vullen zonder einde. Iedereen kan mijn kloten kussen. Vooral die kuthoer uit de Oudemansstraat van zes weken terug.

© Afbeelding: Jeff Wall, Destroyed Room, 1978 (aangepast naar zwart/wit)

Woensdag 03 – 11 – 21

Mijn keel voelt schor aan. De constante aanvoer van teer zorgt voor een verkoudheid die nooit meer ophoudt. Het doet mijn stembanden afslijten tot enkel de contouren overblijven. Ik hoest slijm op en steek de volgende sigaret aan. Net een mot die tegen beter weten in zichzelf onophoudelijk tegen dezelfde lamp te pletter stort. Opnieuw en opnieuw, tot ik niets meer weet. Laat me roken om toch iets te voelen. Mijn moeder achterna, de traditie verder zettend. De dokter heeft gezegd dat ze niet meer lang heeft. Uiteindelijk zal het tengere lijf bezwijken, tot zelfs haar karakter de ziekte niet meer dragen kan. Ik neem haar mee op een laatste tochtje langs de kust. Daar waar ze haar eerste lief kuste en het zand onbezonnen door haar handen gleed. Haar rolstoel bolt over de dijk en ik denk aan ons beide verzuipen. Duwen tot de zee haar opslokt en de vissen ons opvreten.
© Afbeelding: Wesley Meuris, Cage for Pelodiscus sinensis, 2006

Woensdag 27 – 10 – 21

Ik erger me mateloos aan mezelf. In de spiegel zie ik enkel nog wallen, vergeelde tanden en een bos haar dat de vrijheid zoekt. Pech voor al die vezels die net als mijn organen tot in de dood aan mij verbonden zijn. Het is samen uit en samen thuis. Wanneer ik mijn ogen sluit, ben ik de strijder der zinloze zielen. Dwalend over lijken waar niemand iets om geeft. Ik speur ze af en verzamel hun verlangens. Alles wat onvervuld is, smaakt beter. Ik fluister ze het verdriet van mijn eigen bestaan in en neem af wat hen nooit gegund is. Ik ben de enige die het waagt in deze krochten rond te waren. U weet waarom: vanbinnen ben ik toch al lang dood. Als een veteraan weet ik mij te laveren tussen al die afgedankte stervelingen en mijn eigen waanzin. Hun droefheid voedt mijn wil om de dag door te komen. Om kleren aan te doen en mijn rol te spelen als opvoeder en volwaardig lid van de maatschappij. ‘‘Meneer, wilt u saus op uw frieten?’’ ‘‘Doe maar curryketchup, extra veel alsjeblieft.’’

© Afbeelding: (Francis Bacon Estate) Francis Bacon, Self-portrait, 1973

Woensdag 20 – 10 – 21

Niemand buiten mijn moeder ziet me graag. Ze geeft me een kus op de wang en vraagt me naar mijn dag. Ik dep haar hoofd met een lauw washandje af en lieg over geïnteresseerde leerlingen, een nieuw lief in het verschiet. Ze lacht en geniet van mijn verhaaltjes. Ik voel hoe ze in mijn hand knijpt en zegt dat ik gezond moet eten. Een traan rolt van mijn wangen, terwijl ik haar beloof om alles te doen wat ze me vraagt. De zoveelste leugen die de dag niet kouder maakt. Vijf minuten later sta ik buiten zonder haar. Ik voel hoe de wind van mij langzaam een wees maakt. Hoe ik haar zachtjes dien af te geven, zonder dat ik er ook maar iets over te zeggen heb. Alles rond me voelt zo leeg en onbestaand. Ik laat de tranen hun weg zoeken over mijn huid, steek de zoveelste sigaret op en sleep mezelf van Brasschaat, naar de stad die me ooit levend zal opslokken. Ik weet alleen niet wanneer.
© Afbeelding: (MoMA) René Magritte, Les Amants, 1928

Woensdag 29 – 09 – 21

Een paar dagen geleden heb ik voor de eerste keer in mijn leven betaald voor seks. Ik had last van blauwe ballen en kon mezelf niet meer aanraken zonder te walgen van mijn amateuristisch gedoe. Geen Ancienne Belgique, geen publiek en geen applaus. Zesendertig jaar en ik doe nog net hetzelfde als toen ik twaalf was. Rochel in de palm van mijn linkerhand, trekken tot de ballen zijn opgespannen en de penis stijf staat. Vuile sok erbij en op tijd de grote verdwijntruc bovenhalen. Een gangbang op de achtergrond en hopen dat ik na drie minuten een gelukzaligheid voel die even snel weggaat als het gekomen is. Maar de avonden worden kouder en de huidhonger wint het van de schaamte. De kraag omhooggetrokken, saf in de mond en half naar de koude stenen starend, wandel ik de Oudemansstraat in.

© Afbeelding: (MoMA) Edward Hopper, Night Windows,19289

Woensdag 06 – 10 – 21

Jezelf van alles en iedereen vervreemden, is een kunst op zich. Het vereist een volledige overgave en een enorme dosis wilskracht. Ik vergelijk het met een olympische duursport. Eéntje waarbij een groot ego en een voorliefde voor zelfbeklag belangrijker zijn dan een loodzware training en een aangepast dieet. Doe mij maar koffie, drie saffen en een joint als ontbijt. Het is de krant lezen zonder iets te begrijpen, luisteren zonder het minste te verstaan. Het olympisch goud is voor zij die niet opvallen in de menigte en trappelen zonder enige vorm van steun. Zilver voor zij die de eer aan zichzelf houden en kiezen voor de eeuwige jachtvelden. Moeder krijgt van mij een podiumplaats en een stuk eremetaal rond haar nek. Haar hoofd kaalgeschoren en in haar hand een wandelstok. De enige vrouw in mijn leven kwijnt als een verslenste begonia langzaamaan weg. Haar hoestbuien die de laatste akte van haar leven inluiden. Ik geef haar een glas water en houd haar hoofd vast. Ze drinkt gulzig als een peuter. De rollen omgedraaid en ik doe mijn best niet door de mand te vallen. Niemand die weet hoe het zonder verder moet.
© Ivan Shishkin, Сумерки, 1883

Woensdag 29 – 09 – 21

De vergadering gisteren was een farce. Al dat gelul over opvoeden en mentaal ondersteunen van de leerlingen na de pandemie, niets meer dan een laatste stuiptrekking van een school die al sinds de eeuwwisseling doodbloedt. De jongere garde zat er overdreven gemotiveerd te luisteren. Typisch. Geef ze drie maand en de helft loopt blijtend weg. De andere helft krijgt een hernia door alle planlast. De naïviteit transformeert in verbitterd ondergaan. Join the fucking club. Na uren van inwendig gemurmel wandel ik de poort uit. Het is laat en ik heb geen behoefte aan slaap. De stad prikkelt me voldoende om niet aan de onmetelijke leegte te denken. Ik strompel zonder doel, als een holbewoner zonder hol. Een galerij met felle lichten trekt de aandacht. Artistieke wannabees maken er grote gebaren en doen alsof ze de volgende Tuymans zijn. Ik wandel de ruimte binnen, op zoek naar gratis drank. De schilderijen aan de muur zijn afgrijselijk. Abstracte pis zonder inhoud. Iets wat een gorilla op speed nog beter uitvoert. Ik kots een beetje in mijn glas en ga in een hoekje staan. Ik heb goesting in het afluisteren van gezever dat niets met mij te maken heeft. Gesprekken over het artistiek proces en hoe het belangrijker is dan het kunstwerk op zich. Liters verloren speeksel over de huidige toestand van de getormenteerde kunstenaar. Ik heb goesting om mijn broek af te steken en over mezelf te praten. Een performance over mijn gekwelde bestaan. Niets eerlijker, niets puurder dan dat. Uiteindelijk trek ik mijn kak in, drink gulzig en doe alsof ik een reden heb om hier te staan. De wals wordt altijd voortgezet.

© Afbeelding: (Cnap) Claude Lévêque, Le Grand Soir, 2009

Woensdag 22 – 09 – 21

Al dagdromend vergeet ik de drukte van de stad rond mij heen. Met afgeleefde vodden om mijn lijf strompel ik tegelijkertijd de negentiende eeuw, en een ander continent, binnen. Ik draag een afgedragen pet tot over mijn wenkbrauwen en laat de riem van mijn geweer over mijn uitgemergelde schouder rusten. Hier zijn geen autostrades en nachtwinkels meer. Onder de versleten zolen voel ik enkel zand en grind. In de ondergaande zon zie ik een paard en kar mijn richting uitkomen. Ik duik de struiken in en bezeer mijn enkel. Met de grootste moeite van de wereld probeer ik de pijn te verbijten. Iets in mijn mond steken zou al helpen. Het is dagen geleden dat ik nog water over mijn lijf gevoeld heb, laat staan op de lippen. Ik steek de loop van mijn wapen tussen de bladeren door en probeer de dorst en de pijn te verbannen. Alles wat hier voorbijkomt, is tegen mij. Terwijl de kar tergend traag voorbij bolt, cirkelt een buizerd hoog in de lucht over de vallei. Ik zie alleen maar een oude man en afgepeigerde merrie. Geen klootzakken die mij willen uitmoorden, enkel en alleen omdat ik anders denk. Nog voor die boerenpummel het beseft, kruip ik recht en hou mijn wapen op hem gericht. ‘Stoppen, eikel.’ De man laat zijn sigaar uit de mond vallen en de merrie steigert. ‘Houdt uw teef kalm.’ Ik klem de kolf tussen mijn oksel en doe mijn best hem zo helder mogelijk te bedreigen. ‘Die kar af, handen omhoog.’ Mijn vinger rust op de trekker en ik beveel hem de laadbak op te wandelen. Een stoffen doek bedekt de lading. ‘Weghalen.’ De pummel twijfelt. ‘Bent u zeker, meneer.’ Ik duw de loop tussen zijn schouderbladen. Met beide handen trekt hij het doek weg. Ik zie eerst benen, rompen. Kleding die van mij zou kunnen zijn. Fuck, ik zie mezelf liggen. Meer dan 20 kopieën. Als tonijnen op elkaar gestapeld. Allemaal kermend, smekend om de korte pijn. Ik laat mijn geweer vallen en stuik in elkaar. ‘Meneer,’ een buschauffeur van De Lijn tikt mij op de rug, ‘u blokkeert de weg.’
© Rémy Cogghe, Combat de coqs en Flandre, 1889

Woensdag 15 – 09 – 21

In mijn hoofd heb ik geen gemakkelijk jeugd gehad. Ik herinner mij eerder eindeloze ruzies dan kostbare momenten. Onderhuidse spanningen die ons gezin van binnenuit opvraten. Onuitgesproken frustraties die als onzichtbare golven op mijn familie insloegen, met als enige doel de genenpoel te verzieken. In de jaren ’90 zat Merksem vol van die hopeloze gevallen. White trash en Marokkaanse Belgen die tijdens hun vrijetijd de boel op stelten zetten zonder dat er iemand een reet om gaf. Nu ik ouder ben, moet ik de verantwoordelijke leerkracht uithangen. De rede prediken, terwijl ik zelf niet eens weet wat het inhoudt. Mijn conclusie: Iedereen doet maar wat. Het enigste verschil is dat we nog mondiger zijn geworden dan zij uit de vorige eeuw. Uiteindelijk denkt iedere nieuwe generatie steeds dat zij het geweer van schouder kunnen veranderen, gemaakte fouten rechtzetten. Ik lul in de klas over gelijkheid en verantwoordelijkheid. Het raam openen en de lucht inademen. Nog vijfendertig minuten volhouden en dan stoppen mijn verplichtingen. Fuck, wat kan ik zagen. Ik kijk naar buiten en denk aan Ramses Shaffy. ‘‘Hoog Sammy, schijt toch omhoog Sammy.’’

© James Lee Byars, The dead of James Lee Byars, 1982/1994

Woensdag 08 – 09 – 21

Gisteren heb ik mijn scheidingspapieren ondertekend. Negen bladzijden vol gezever en onnodig jargon. De woorden van de notaris klinken hol en ik doe geen enkele moeite om haar te begrijpen. Al haar gezeik over het verdelen van goederen is niets meer dan een verplicht nummertje binnenin onze bureaucratie. Alles moet genoteerd worden en in de digitale papiermand verdwijnen. Jeuj. Voor mij doet al dat gedoe er weinig toe. Ik ben eerder op een begrafenis waar niemand om geeft. Eentje waarbij ik voorovergebogen naar de kist kijk en er zelf in blijk te liggen. Aarde over kappen en onder de grond verdwijnen. Verbonden met een vrouw die al lang niet meer de mijne is. Zij staat daar met haar volle buik en geeft een balpen aan mij door. Met mijn vergeelde vingers omklem ik het laatste wat we samen delen. Ik teken het nodige en doe alsof dit de normaalste zaak van de wereld is. Op straat praten we een minuut lang over alles wat ons niet meer bindt en wandelen elks een ander kant op. Ik steek een sigaret aan en denk aan de talloze beloftes die niemand ooit waarmaakt. Niets is ooit voor eeuwig.
© Chris Burden, Still from Shoot, 1971

Woensdag 01 – 09 – 21

Ik heb mij vandaag ziekgemeld. Het laatste waar ik op 1 september zin in heb, is toezicht houden op een bende joelende pubers die onder invloed van hun schommelende hormonen elkaar aangedikte verhalen over hun zomervakanties verkondigen. Nee, bedankt. Het kan mij niet schelen wat de directeur van mijn verzuim vindt. Ontslaan kan hij mij toch niet. Hij komt nu al sukkels tekort om al die structurele veranderingen op hun kromme ruggen het nieuwe schooljaar in te dragen. Ik start volgende week wel. Waarschijnlijk begin ik met een lesje over Afghanistan en al het erfgoed dat er in de naam van God is opgeblazen. Alles om de start van het zesde middelbaar zonnig in te zetten. Ik heb het geprobeerd, maar ik kan niet tegen dat hypocriet gedoe. Het olijk verkondigen van een vrolijke toekomst die op geen enkele realiteit gestoeld is. Wanneer die jongeren zo oud zijn als mij is de zeespiegel onherroepelijk gestegen, de helft van de wereldbevolking verhongerd of uitgemoord, de kloof tussen rijk en arm onoverbrugbaar en het vet al lang van de soep. Ik hoop stilletjes dat ik er dan niet meer bij ben. Soep of geen soep. Dat ik de kanker van mijn moeder mag helpen dragen. In haar plaats verdwijnen, nog voor de herfstvakantie goed en wel begonnen is.

© Stephan Vanfleteren, Zwaan, 2016

Woensdag 25 – 08 – 21

Vandaag met mijn moeder naar Sint-Augustinus geweest. Na een ongemakkelijke knuffel, gedeelde sigaret en babbeltje over weinig tot niets, sleepten we ons richting de afdeling pneumologie voort. Ik herinner mij vooral de varens, uitgedroogde sanseveria’s en posters met bejaarde koppels op. Knuffelend. Alle mogelijke kitsch inzetten om de wachtende longpatiënt op te vrolijken. Hoera voor de maatschappij. Tussen het gekuch door dacht ik alleen maar aan de ondergang van die zogeheten beschaving. Het hele systeem dat van kindsbeen af bezig is met haar onderdanen uit te moorden. Liefst zo langzaamaan mogelijk. Een gouden medaille voor zij die pas een jaar na hun pensioen dood op de pot neervallen. Broek af en slijm uit de mond. Begrafenis van zesduizend euro en op naar de volgende die doet wat er van hem-haar-hen-en-het verwacht wordt. Vroeger wast het leven simpeler: werd je blind, dan viel je de afgrond in. Mankte je, dan werd je achtergelaten. Was je zot genoeg om meer dan tien kinderen te krijgen, dan zorgde de natuur zelf voor de selectie. Vaak ging de moeder tijdens een bevalling onder de grond. In mijn geval, uitgezaaid naar de longen. Bij de dokter zat moeder erbij alsof ze in haar zetel naar de televisie keek. Zappend, met haar uitgestrekte arm en de afstandsbediening in haar vingers verkrampt. Ik dacht aan vroeger, aan familiefeesten met mij op haar schoot. Kreunend om aandacht en eten. Tussen het wazige door vertelde de dokter iets over immuuntherapie en palliatieve zorg. Moeder en ik zaten samen in onze eigen realiteit. Opnieuw onze gezinsmomenten beleven. Bijgekleurd en aangepast. Ik kneep in haar hand en tien minuten later stonden we aan de tramhalte. ‘‘Zie ik je morgen,’’ zei ze zonder iets over de ziekte te zeggen. ‘‘Ik moet mij voorbereiden op de start van het schooljaar.’’ Ze knikte en verweet zichzelf dat ze zoiets kon vergeten. Ik greep in mijn zakken naar stof en extra tijd. ‘‘Ik bel je morgen wel.’’ Kuste haar nogal onhandig op haar wang en vertrok.
© Christie’s & Jean-Michel Basquiat, Untitled, 1982

Woensdag 18 – 08 – 21

Ik heb vorige week een inzinking gehad. De eerste van de zomervakantie. Het gebeurde op café, ergens in een verlaten stad op de grens tussen Spanje en Portugal. De details zijn aan mij verloren gegaan. Ingevuld door zwarte gaten. Wat achterblijft is de herinnering aan een explosie van opgekropte woede die over de jaren heen de inhoud van mijn borstkast heeft overgenomen. Het glas rum-cola dat op de grond ketste. Mijn stem die het vergif op ongewilde omstanders uitbraakte. Ik was de revolutionair die lak had aan artificiële waarden en normen. Hij die zonder afwegen op weerloze vrouwen en kinderen schiet. Alles uitroeien zodat de natuur opnieuw kan beginnen. Om de zoveel maanden verliest de rede het eindeloze gevecht van de waanzin. De puber in mij die kapotmaakt om iets te voelen. Ik heb Rotzak van mij afgetrapt en uitgescholden, alsof ik het opnam tegen mijn eigen onverwerkte trauma’s. Theatrale uitbarstingen uitwerken op een hond, heet dat. Bruggen verbranden, connecties afstoten en met open wonden verder leven. Alles om de eenzaamheid te snel af te zijn. De volgende ochtend voelde mijn lichaam opgezwollen aan. Ik lag ergens in een greppel, omgeven door pijn en een weide vol korenbloemen. Portefeuille op zak en niemand die mij bij naam kende. Beschadigd, maar veilig. Na het wakker worden besloot ik mijn drassig bed voor één nacht te verlaten en de eerste bus richting België te nemen. Het was goed geweest. Een uur later rinkelde mijn telefoon. Mijn moeder die mij voor de vijfde keer probeerde te bellen. Halfdronken nam ik op. ‘‘Schat,’’ ze sprak met een hese stem, terwijl ik aan een snelheid van tachtig kilometer per uur naar de verschillende gezichten van Europa staarde. ‘‘Wat is er, ma?’’ Ze nam haar tijd en speelde met de leegte tussen haar woorden. ‘‘Ik heb kanker, uitgezaaid.’’

© Barnett Newman, The Stations of the Cross, Lema Sabachthani, Twelfth Station (detail), 1965)

Woensdag 04 – 08 – 21

Op camping “Por Supuesto” hebben de Duitsers het terrein overgenomen. Met honderden zijn ze. Net varkens die in hun eigen vuil liggen te zonnen en er daarna hun teennagels knippen. Altijd omringd door spuuglelijke campers die hun gebrek aan smaak verklappen. Ik moet ze niet, de Duitsers. Niet in hun eigen land en al zeker niet op een ander. Ik walg van ze. Hun klanken doen me aan bondage met verlebberde hoeren denken. Van die margi’s die er op hun twintigste al ranzig uitzagen. Voor veel te weinig geld zuigen ze een Hanz of een Günther af. Overdag boekhouder, bij nachte een anaalridder met lederhosen aan. Ik groet hen een goedemorgen en denk er het mijne van. Rotzak pist straks wel, tijdens hun dagelijks uitstapje naar het plaatselijke marktplein, op de rubberen boot die ze uit de jaren tachtig hebben meegesleurd. “Ich habe das nicht gewusst,” wordt mijn antwoord wanneer ze mijn viervoeter van vandalisme beschuldigen. Ze staan in mijn top vier van meest gehate toeristen ooit. Net achter de Britten, de Fransen en de Russen – vraag mij in den draai maar eens waarom. Maar uiteindelijk winnen de Duitsers altijd. Ook op onze camping. De rest van ons gewone stervelingen moeten noodgedwongen genoegen nemen met een laaggelegen weide vol koeienstront. Rotzak en ik delen een hut met een Cubaan die in België al drie vrouwen heeft versleten. We praten over politiek, worden dronken en roken joints tot de nacht valt. Ik kijk naar de sterren en denk aan thuis. Voor het eerst sinds ik me kan herinneren, val ik rustig in slaap.
© Alex Turner & Arctic Monkeys, Tranquility Base Hotel, Casino album cover, 2018

Woensdag 28 – 07 – 21

Onderweg ben ik een bastaard tegengekomen. Vier poten en een witzwarte vacht. Hij volgt mij al een kleine week en jankt wanneer ik voor een korte pitstop zijn gezichtsveld verlaat. ‘Ik heb dat beest nog nooit gezien,’ mompel ik tegen bekakt volk dat vindt dat ik mij dien te generen voor een ander zijn gedrag. Ik heb genoeg aan mijn eigen problemen. Zij zitten daar maar te zagen, met hun matchende poloshirtjes en overprijsde wijn. Fuck hun. Zij zijn rot vanbinnen. Ze ruiken hun eigen stank zelfs niet meer. Ik geniet van hun walging en neerkijken. ’Kom, rotzak,’ fluister ik mijn compagnon de route toe, ‘we zijn hier niet welkom.’ Rotzak luistert naar zijn originele troetelnaam. Hij kijkt me begrijpend aan en slentert in mijn kielzog voort. Hij ziet me voor wie ik ben. We zijn beiden verstoten door iemand die ons eeuwige zorg en liefde beloofde. Ik verdraag zijn aanwezigheid, aai hem ‘s nachts wanneer hij de warmte aan het voetuiteinde van mijn bed opzoekt en verwens hem wanneer hij in de volle zon de stront van een soortgenoot opeet. Toch kan ik niet lang kwaad op hem blijven, zo’n lelijke kop dat het mooi wordt. Ik ben blij dat hij mij ook niet verlaat. Wij zijn beide zwevers in het niemandsland.

© Filip Gilissen, It’s all downhill from here on, 2011 (Foto: Glenn Geerinck)

Woensdag 21 – 07 – 21

Twee weken verder en ik blijf wandelen. Weg van iedereen die me aan mezelf doet denken. Richting het zuiden. Maakt mij niet uit waar. Onderweg heb ik een zwarte short gekocht, dito sokken, T-shirt en een rugzak om wat eten mee te sleuren. Koude koffie, cola en Zwan worstjes. Meer heb ik niet nodig om op te teren wanneer ik alleen naar een of ander meer staar. Ik was mezelf en zwem zonder doel. Elke dag ben ik ergens anders. Een nieuw dorp, huizen en kromme straten die ik niet ken. Onbelangrijke taferelen spotten, die zich ergens toevallig afspelen. Het houdt me wakker en scherp. Soms praat ik met een plaatselijke cafébaas over het weer en vrouwen. Dat ze onbereikbaar zijn en mooi, van veraf gezien. De nachten breng ik door in goedkope motels vol van mensen die naar hetzelfde niets op zoek zijn. We knikken en roken stilzwijgend onze sigaret op.
© Yves Klein, Leap into the void, 1960

Woensdag 14 – 07 – 21

© Kuba, SINGING IN THE RAIN, AND WE’RE HAPPY AGAIN, 2019

Woensdag 07 – 07 – 21

Ik heb lang nagedacht over hoe Ik in godsnaam deze zomer doorkom. Het is 10:00, mijn hersenen doen pijn en ik steek de derde joint van de dag op. Stevige teug nemen, groen hemd strijken en een jeans aandoen. Alles op basis van een aangepast schema. Afgemeten en afgewogen, alsof ik een obees ben die het zoveelste wonderdieet uitprobeert. Volgens die verwelkte teef van een psychologe heb ik structuur nodig. Een periode gekoppeld aan orde en tijd om alles te verwerken. Geen nachten waarbij mijn ogen onbevredigd op zoek gaan naar bloot vlees. Gluren naar twee bewerkte wijven met opgespoten lippen die overdreven genieten van elkaars poes en tepels. Aflikken tot mijn penis half stijf wordt. Geen gesnok, maar braaf het bed in en hopen op een nacht zonder opstaan. Het dieet werkt half zijn gat en ik schrijf om 6:00 de miserie van me af. De zomervakanties zijn de ergste. Twee maand zon en betaald verlof. Het komt als een ton stront op me af, doet me op mijn koord dansen, broedend over vallen en doodbloeden. Iedereen gaat zijn gangetje, terwijl ik daar op de stoep lig te creperen. Ik wil er niet aan denken, zet mijn zonnebril op en wandel de deur uit. Ik heb geen flauw idee waar ik heen ga, maar de intentie is er.
© Kazimir Malevich, Compositie met zwarte cirkel, 1916

Woensdag 30 – 06 – 21

Koffie druipt langs mijn vingers de houten vloer op. De zwarte druppels kussen de vingertoppen en tarten de zwaartekracht. Ik wil de schoonheid voelen en de pijn verdragen. Het hete gruis dat mijn lichaam aanvalt. Inzichten krijgen via rituelen waar geen ander aan denkt. Dromen over een cultus waarin de esthetiek en het uitzinnige de wetten bepalen. Alles met de grond gelijk maken, om vanaf nul te herbeginnen. Het zwarte gat dat groeit zonder ophouden. Hoofd erin steken en de spanning vasthouden. Wachten op het moment dat alles verdwijnt. Start, stop, reset.

© Henry De Groux, Gasmaskers, 1914-1918 2004

Woensdag 23 – 06 – 21

Van die mannen die zich mannelijker voordoen dan ze zijn. Bullshit. Gisteren zo iemand gezien. Getrimde baard, broekspijp tot net boven de enkels en een zwarte zonnebril die voor meerdere onopgeloste trauma’s staat. Te mannelijk om te praten over gevoelens. Waarom gewoon? Ik moet ervan kotsen. In mijn realiteit: recht op hun gezicht. Zachtjes uitvegen en vijftien minuten laten intrekken. Wondermiddel. Wij mannen mogen niet klagen, ik weet het, maar niets is gemakkelijk: al die testosteron, al dat sperma. Het stijgt naar het hoofd. Zelf ben ik opgevoed door kemphanen wiens angst om ontmaskerd te worden, groter was dan de omtrek van hun testikkels. Doen alsof was hun mantra. Ik was bijna zelf zo geworden en haal ze er zo uit. Ze blazen zichzelf zo groot mogelijk op en komen als een opgefokte bodybuilder voor mij staan. ‘Wie heeft de grootste?’ Och, de grootste sukkel staat hier. Ik voel mij nergens thuis en speel het zoveelste spel mee. Dwaas. In een andere dementie trek ik van mijn slecht gerolde sigaret en doof haar uit. Recht op de schacht van zijn glorieus lid. Fuck off and die.
© Cigarettes after sex, Cover album Cigarettes after sex, 2017

Woensdag 16 – 06 – 21

‘‘Wat is 50 centimeter groot, stijf en alle vrouwen worden er hysterisch van?’’ Ik neem een slok van mijn tripel en probeer het ijs te breken met de enige mop die ik de moeite waard vind te onthouden. Het is eeuwen geleden dat ik mijn vrienden zag. Binnenkort is het mijn verjaardag en ze wilden per se samen iets doen. Drinken en onhandig schuifelen op een stoel kon er nog net af. Op een terrasje aan de Dageraadplaats staar ik naar de mensen die mijn jeugd kleurden. Flarden van onbezonnen herinneringen vullen mijn gedachten op. Met z’n allen naakt over auto’s lopen, hysterisch lachen om niets en jointjes smoren aan het meer. Dromend over een toekomst waarin alles kan en niets moet. Pratend over de wereld en hoe wij die zouden veranderen. Twee decennia later zie ik hoe de jeugdigheid aan ons voorbij is gegaan. Zij die ik liefhad bestaan niet meer. De corona heeft van hen verrimpelde dertigers gemaakt die zichtbaar kampen met overgewicht en het opvoeden van kinderen waar ze in eerste instantie nog laaiend enthousiast over waren. Ik wil verdwijnen in de wereld van zoveel zomers geleden. De kans krijgen om opnieuw te beginnen en haar te kussen, zonder de demonen in mijn hoofd. Maar vandaag is niets meer dan een melancholische reünie van mensen die elkaar ooit kenden. ‘‘Allee Sam, zeg het is, wat is nu 50 centimeter groot, stijf en elke vrouw komt er wild van?’’ Ik schraap dode huidcellen van mijn voorhoofd en neem de zoveelste slok. ‘‘Wiegendood.’’

© Stephan Vanfleteren, René, Brussel, 2004

Woensdag 09 – 06 – 21

Vandaag is het mijn eerste werkdag. Vier weken ziekenkas om dan tijdens het laatste bezoek van de controlearts geschikt verklaard te worden. Hij zou eens moeten weten. Ik heb nog geprobeerd een verlenging uit de brand te slepen, maar mijn pathetisch gezeik deed er geen goed aan. Ik heb mij er uiteindelijk bij neergelegd en hem inwendig gefolterd. Bot mes en beginnen bij de adamsappel. Waarom moeten zo van die klootzakken mijn leven altijd moeilijker maken dan het al is? Maar bon, we staan hier dus met de nodige afkeer aan de schoolpoort waar ik al meer dan zes jaar mijn tijd verspil. Ik laat de metal van Amenra door mijn koptelefoon knallen en neem een laatste teug van mijn sigaret. Mezelf afvragend hoe ik het hier al die tijd heb volgehouden. Ik zie alleen nog gezichten waarvan de verhalen mij geen bal interesseren. Ze wandelen naar mij toe, dringen zich op en vragen hoe het met me gaat. Iedereen op school weet het ondertussen van mijn coma. Al dat geroddel, al de sensatie. Geloof mij: niets erger dan een groep pubers en uitgedoofde volwassenen bij elkaar. Ik lach, stel hen gerust en denk na over het toegeven aan mijn afkeer voor iedereen die hier ademt. Waanzin vult mijn hoofd op. Ik wil voelen wat die jongens in 1999 voelde, toen zij de Columbine High School in Colorado bestormden en iedereen afmaakten. Emoties uitschakelen, gedachten op slot, automatisch vuren en kijken hoe het leven, als stukken dood vlees, uiteenspat. Terwijl mijn voeten een vaste tred aanhouden, hoor ik hoe het geschreeuw door de gang galmt. Een hand raakt kort mijn schouder aan. ‘Meneer Sterckx, u ziet wat bleek,’ ik lach al mijn problemen weg en wrijf door zijn haren: ‘Komt allemaal wel goed, vriend.’
© Hannelore Van Dijck, Untitled, 2013

Woensdag 02 – 06 – 21

Ik ben die griet van drie weken geleden tegengekomen. Ze droeg een wit minirokje dat haar heupen afspande en was alleen op stap. Haar vriend had ze gelukkig thuisgelaten. Die fucking klootzak zou mij afranselen als ik mijn nek draai en hun kant op kijk. Mij anaal nemen – zoals enkel bonobo’s dat doen – tot ik enkel nog buiten kan komen met een zuurstoffles. Als ik zeventig ben, wil ik zo’n fles. Safke paffen op de parking van het ziekenhuis en toevallige voorbijgangers choqueren met den darm die in mijn neus steekt. Overdreven zwaaien en hallo zeggen, zoals alleen een doorrookte cafébazin dat kan. De blik in hun ogen, de trauma’s voor het leven. Maar nu nog niet. Ik kijk langs mijn zonnebril naar haar benen die het licht over de straat verspreiden. Zij is alles wat ik nooit zal zijn. Net op de hoek stopt ze bij een bloemenwinkel en kijkt naar haar reflectie in het raam. Ik drink van mijn koffie en fantaseer over copulerende anaconda’s. Schubben die wrijven tot heel de stad in brand schiet. Ik veeg mijn lippen af en twijfel over een babbeltje. Een leven lang dansen met haar. Maar in mijn hoofd is alles dood. Ik voel de pijn in mijn onderrug steken, vraag de rekening en trap het af. Ik ben te oud om verliefd te worden.

© Jean Fouquet, Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen, 1454 – 1456

Woensdag 26 – 05 – 21

Net een rochel in het toilet gedropt. Allé ja, eerder op de toiletbril. Van dat vaalgeel met zwarte tinten. Ik buig voorover en vraag me af of ik nu een deel van mezelf kwijt ben. Ergens wil ik praten en afscheid nemen, maar ik hou me in. Het slijm fascineert mij. Het heeft iets vergankelijks, alsof een verloren wereld via mijn mond een uitweg zoekt. Hopend op een toekomst, ver weg van mijn bronchiën. Ik blijf gehypnotiseerd staren naar iets wat ik alleen gecreëerd heb. Dikke klodders rochel blijven op de bril drijven. Ze schommelen zachtjes heen en weer, zonder enig besef van tijd. De rest van de rochel druipt in een lange sliert de vloer op. Ik filosofeer over afvegen en schoonmaken, maar ik laat het zijn. Het is een passend afscheidscadeau voor ons Rita. Het idee dat zij zuchtend op haar knieën de bril schoonwrijft en aan mij denkt, maakt me geil. Ik haal mijn zwarte aansteker en pakje Marlboro Rood aan de balie op en wandel de gang van de derde verdieping door. De aansteker danst tussen mijn vingers. Mijn ogen gericht op de kamers vol soortgenoten. Mensen die elkaar kussen, een hand die over een pols glijdt, een moeder die voorleest aan haar kind. Een jonge vrouw die al te vroeg begrijpt wat het leven haar te bieden heeft. Ik draai mijn hoofd, wandel door de trappenhal naar de uitgang. Sigaret aansteken, de geur van de stad opsnuiven en blindelings een café uitkiezen. ´Heb jij toevallig iets met munt?’

Woensdag 19 – 05 – 21

In het Sint-Elisabethziekenhuis droom ik alleen nog over roken. Over die zelfgerolde sigaret die hier niet mag. Eentje waar tabak en wiet samen in verdwijnen. Alles egaal uitgestreken. Het ritueel van rollen en lekken heeft mij altijd geboeid. De tijd die in je hoofd bevriest; de handeling van het maken en het aansteken. Inhaleren en zo de leegte opvullen. Jezelf langzaam vergiftigen en er een ambacht van maken. Net een huwelijk. Mijn vorig huwelijk. Ik probeer er niet aan te denken, neem een teug van het enige wat mij nog onvoorwaardelijk liefheeft en ga op in de droom. Surfen op de wiet die mijn hoofd meevoert naar een wereld waarin ik nog betekenis heb. Waarin zij bij mij is en niet met een ander neukt. Samen kussen langs de kaai. Genieten van de Schelde en van een vogel die daar nooit vloog. In mijn droom rol ik om te vergeten. Alleen de dagelijks wasbeurt van verpleegster Rita doet mij minstens evenveel deugd. ‘Beentjes omhoog, meneer Sterckx.’ Haar hand in een klam washandje dat over mijn bovenbeen glijdt. Het katoen dat met zijn ruwe cirkelbewegingen mij een halve erectie bezorgt. Ik durf haar niet aan te kijken en vlucht weg, door het raam waar de bomen de wind vangen. Waar de lucht te blauw is voor mijn hoofd. ‘Dat is toch niet erg, meneer Sterckx,’ Rita schuift het washandje tot net mijn heup voorbij, ‘dat overkomt de beste onder ons.’


Woensdag 12 – 05 – 21

Lijn coke door de neus jagen en babbelen. Vorige zaterdag was het zover. Terrasje doen, volk zien en verdwijnen in de massa die zich geen bal meer aantrekt van eender welke regel. Het tandvlees was op. Ik heb borsten gezien en benen gevoeld. Zachtjes de geur opgenomen van zij die veel knapper en jonger zijn dan mijzelf. Ik heb mijn lijf vrijspel gegeven. Iedereen in extase en er is geen mens die aan de volgende dag denkt. My kind of people. Morgen maakt niet uit voor vandaag. Ik strompel door de menigte, steek de zoveelste sigaret in mijn mond en gebruik het mondmasker om mijn neus proper te maken. De problemen vergeten die vegeteren in mijn hoofd. De dop moet eraf vliegen, liefst met fles en al. Mij laten leiden door de goesting van het moment. Ik kus iemand die ik niet ken. Haar lippen proeven naar drank en seks. Ik voel de drang om iets te betekenen. Noem het: het kortstondig willen begrijpen waarom mensen nog verliefd worden op elkaar. Het gevoel dat iemand jou de moeite waard vindt om te kussen is aanstekelijk. Nog drie tongdraaiingen en ik vraag die naamloze griet, met strakke kont, ten huwelijk. Speciaal zijn voedt het verlangen om mezelf als normaal te zien. Ik lik haar af alsof er geen morgen komt. Een fantastisch gevoel dat mij voor het eerst sinds jaren geil doet krijgen. Verstoord door een hand op de keel. Een duw op mijn knieschijf en een klop op mijn bakkes. Ziekenhuis in: twee dagen in de coma met een bedpan. Terug wakker op –  u raadt het al – deze motherfucking woensdag.

Woensdag 05 – 05 – 21

In mijn hoofd is het chaos. Elke gedachte een strijd tussen opgeven of verdergaan. Elke stap een dwaling over het loslaten en afstaan. Ik roep zonder dat iemand mij hoort. Mijn nek opgespannen, de mond open en leeg. Duwen tot het splijt. Ik doe mezelf pijn om iets te voelen. Mezelf verliezen in al wat niet mag bestaan. Het regent en de vijfde joint van de dag smaakt zuur. Ik wandel over de brug die Antwerpen met Merksem verbindt en proef de loze woorden die de psychologe op mijn tong achterlaat. Dat alles goed met mij gaat. Wat weet zij ervan. Ik vertel haar wat ze wil horen, wat iedereen wil horen. Verzwijg al wat belangrijk is. Ik ben hier omdat het moet, niet omdat ik erin geloof. Zij wil me helpen, maar dat gaat niet. Elkaar echt helpen, heeft nooit echt bestaan. In het diepste van de leegte zijn we allemaal alleen.


Woensdag 28 – 04 – 21

Mijn ex is zwanger. Ze heeft het me net verteld. Met de nodige afkeer luister ik naar een monoloog vol gezeik over respect, onvoorwaardelijke vriendschap en toevalligheden die een toekomst bepalen die niemand kan voorzien. Ik laat haar lullen en denk aan het langzaam verdrinken. Mijn longen die zich ongewild vullen met water. Mijn lijf dat vecht zonder kans op een overwinning. Ze stopt en vraagt of ik iets zeg. Wat moet ik zeggen: ‘Ik hoop dat je scheurt en niet te naaien bent?’ Ik schaam me voor mezelf. Soms denk ik dat ik geen liefde kan aanvaarden van mensen die mij graag zien. Ik stoot ze af en wentel mij in wat ik ken, wat te controleren valt. Ik zwijg, neem haar hand vast en zoek het vertrouwde op in wat er niet meer is. Tot ik alleen nog met rust gelaten wil worden, in mezelf keer en denk aan die vijf jaar samenzijn. De jaren van proberen. Mijn zaad is even waardeloos als mijn innerlijke wil om me voort te planten. Ik laat haar hand los, zeg niets meer en vertrek zonder om te kijken. Een ik is meer dan genoeg.  

Woensdag 21 – 04 – 21

8:30 en ik sta voor het eerst in drie weken opnieuw voor de klas. Surprise: ik doe iets voor de kost. Uiteraard dik tegen mijn goesting, overslapen en zonder koffie in mijn systeem. Mijn aangedikte wallen en ongewassen gezicht verborgen onder een mondmasker dat ik al maanden aan een stuk draag. Ik weet zelf niet wat ik hier in godsnaam doe, maar van schrijven kan ik niet leven. Nog niet. Sinds september vervang ik een jonge vrouw die na haar bevalling tot het besluit kwam dat ze toch geen kind wilde. Fuck haar en fuck dat kind. Ik ben het levende bewijs dat je onder een depressieve staat van zijn wel kan deelnemen aan de maatschappij. Al was het stoned, ongeïnteresseerd en instabiel. Who cares: ik ben niet de enige. Mijn glazige ogen overschouwen de leerlingen van het 6de economie moderne talen. Drie weken paaspauze – ik kan dat woord niet uitstaan, nog voor het bestond – heeft hen zichtbaar geen deugd gedaan. Ik slof de ruimte door en geniet van de stilte die enkele seconden lang de klas opvult. In mijn hoofd ben ik een klassieke filosoof die louter door zijn aanwezigheid de menigte inspireert. Ik toon hen een slide met een foto van een blinde vrouw, wiens linkeroog naar de muur van het onverklaarbare niets tuurt en vraag hen naar de inhoud van het kunstwerk. Ik kijk naar de klok en twijfel of ik met die ene slide 50 minuten vol krijg.


Woensdag 14 – 04 – 21

Wanneer de nachtklok ingaat, sleep ik mijn voordeur open en stap naar buiten. Hoofdtelefoon op en enkel nog de stem van Marc Bolan – T. Rex –  op repeat. De man die ik  graag had willen zijn, is al veertig jaar dood. Hij zingt over dansen, hoe hij de baarmoeder uit danste en maar bleef dansen. Ik droom op mijn beurt hoe ik er opnieuw in kan verdwijnen. Al dansend mijn kleren weggooiend, mezelf met etherische olie inwrijven en de schaamlippen van mijn moeder zorgvuldig openvouwen, om er vervolgens mijn hoofd in te steken. Het is voor ons beide geen aangename ervaring, maar het zijn ideeën die gratis en voor niets opduiken wanneer ik ’s nachts aan de kaaien ronddwaal. Marc vraagt zich ondertussen af wat het is om alleen te zijn. Ik kan hem niet helpen, gooi mijn peuk in de Schelde en denk aan het nooit meer opstaan.

Woensdag 07 – 04 – 21

Deze ochtend had ik een gesprek met mezelf. Het begon ongemakkelijk en geen van ons beiden wilde er echt mee starten. We hadden het al zolang uitgesteld. Ik hoopte dat ik niet zou praten over wat er vorige week gebeurd was en ik wenste op mijn beurt dat ik niet defensief uit de hoek zou komen wanneer ik over vorige week zou beginnen. Ik vroeg of er koffie moest zijn. Ik knikte. Met een gedeelde sigaret hebben we het ijs gebroken en herinneringen opgehaald. Ik raakte mezelf kort aan zonder op te schrikken. Ik praatte over hoe het me speet. Eerst wilde ik er niets van weten. Ik hief mijn schouders op en verwenste mezelf. Ik wilde iets zegen over al die jaren samenzijn, dat het zo niet verder kon. Dat het verschrikkelijk was om met mezelf om te gaan. Maar ik zweeg. Ergens diep vanbinnen wist ik al lang dat ik niet zonder mezelf verder kon.


Woensdag 31 – 03 – 21

Ze zouden alle mensen moeten afschaffen. Geen verschillende meningen en onredelijke verwachtingen meer. Geen ongemakkelijke momenten die uitgroeien tot frustraties die jaren aanslepen. Van iedereen de hersenen afpakken en het omhulsel naar de fabrikant terugzenden. ‘Hebt ge geen nieuwer model?’ Van mijn part mogen ze met mij beginnen. Via de neus mijn ingewanden eruit. Al die vetzakkerij op een hoop gooien om er potgrond van te maken. Ik ben volgens mij het nuttigst als ik niet meer nadenk en de basis kan zijn voor een scheut die zich voornamelijk bezighoudt met  het produceren van bladeren en bloemen. Voor de rest, geen argument.


Woensdag 24 – 03 – 21

In gedachten sleep ik mijn voeten door de straten van mijn verloren jeugd. Alles stinkt hier naar onvervulde dromen en opgebrande tijd.  Mijn vingers beven en met de grootste moeite steek ik de vijfde sigaret van de dag aan. Terwijl ik mijn longen teer laat proeven, kijk ik met verkleinde pupillen naar mijn oude buurt. Mijn grootouders hadden velden en veen gekend, ik moest het stellen met betonnen appartementsgebouwen en vestimentair gefaalde marginalen die hun dun gezaaide hersencellen opzadelden met meerdere xtc-pillen per week. Een ex van me noemde het ooit Wit-Rusland In-‘t-Klein. Maar voor mij blijft het mijn geboortedorp, bezaaid met herinneringen. De plek die me gemaakt heeft tot wie ik nu ben. Het dorp dat aan mij plakt als een lipoom op de schouder. Daar blijvend tot de dag dat ik sterf.


Woensdag 17 – 03 – 21

Gisteren heb ik iemand zijn gezicht bewerkt met een vork. Waarom? Ik kon het niet laten passeren. Hij begon over mijn wezen en mijn houding ten opzichte van alles en iedereen. ‘Wat hebt gij eigenlijk al gedaan in uw leven buiten kankeren op een ander?’ Na het uitspreken van die woorden kon je zijn gezicht niet meer als gaaf bestempelen. Mijn hoofd duldt geen shit meer. Ik keek naar hem met die vork in mijn handen. We aten samen een vegetarische dagschotel, ergens in een denkbeeldig restaurant. Ik voelde hoe mijn haat uitbrak bij het horen van die uitspraken. Mijn vingers die de steel omklemden en uithielen zonder ratio en begrip. De tanden doorkliefden zijn huid en bogen op het bot. Ik stak opnieuw en opnieuw. Een oogbol werd geperforeerd en kraakbeen gekneusd. Opgefokt keek ik naar het slagveld waar ik verantwoordelijk voor was. Ik haalde adem en was klaar om afscheid te nemen. Ik deed teken naar de dichtstbijzijnde serveuse. ‘Mag ik de rekening alsjeblieft?’ Ik zocht op de tast naar mijn portefeuille, ‘graag alleen mijn deel, als het niet geeft.’


Woensdag 10 – 03 – 21

Mijn sansevieria en ik zwierven woensdag rond in Gent. We kwamen van nergens en gingen nergens naartoe. Ik hield haar stevig bij de pot vast en kuste haar bladeren zonder rekening te houden met al wie onze liefde niet begreep. We liepen voorop in de fanfare zonder honger en dorst. We hadden samen een pact gesloten om enkel nog op water en licht te leven. Al de rest mocht voor ons naar de kloten. Wij hebben genoeg van alles dat uit te veel moleculen bestaat. Wij willen een leven zonder honger en dorst.  


Woensdag 03 – 03 – 21

Ik kots wat in mijn eigen mond en laat het braaksel op de tong rusten. Beter traag inslikken dan reageren op de woorden die op mij afkomen. Ik focus mij op de gisting in de mond en schakel het verstand uit: op woensdag luister ik niet naar onbevoegden. Ik wacht het juiste moment niet af en wandel weg zonder iets te zeggen.  Al dat gezeik is het vernoemen niet waard.


Woensdag 24 – 02 – 21

Ik heb vandaag in een park gezeten. Voorzien van  short en trui. Zeventien fucking graden in februari; zelfs de duiven weten niet waar te vliegen. Mij kan het niets schelen. Ik leg mijn benen languit op een deken dat het grondvocht tegenhoudt en luister ongewild naar muziek van groepjes jongeren die naast ons hangen. Ik zie mezelf nog steeds als een van hen, maar bij het ontwarren van al die verschillende klanken weet ik dat dit ik mezelf iets voorlieg. Mijn ziel is onlosmakelijk verbonden met de vorige eeuw. De tijd waarin de pest niet werd opgelost met mondmaskers, maar met een fles whisky en vers fruit. Voor die schoolplichtige ben ik niets meer dan een oude zak. Afgeschreven en kansen verspeeld.  Ik knik instemmend. Niemand knikt terug.   


Woensdag 17 – 02 – 21

Als ze mij ooit begraven, liefst met een sigaret in mijn bakkes. Vers aangestoken. Als er rook uit de kist komt, mogen ze die openen, maar het is geen verplichting. Ik kon vandaag aan niets anders denken en heb dan maar mijn uitvaart uitgeschreven. Allereerst wil ik een zwarte kist met in het goud mijn initialen erop. Mijn beste vrienden krijgen de taak de kist op de schouder te leggen en mijn overblijfselen op de tonen van There will be no next time van The Kids de kerk in te dragen. In de kerk worden foto’s van mijzelf op het retabel geprojecteerd. Al wie mee op de foto staat, wordt afgeknipt. Centraal aan het altaar wordt mijn kist schuin rechtgezet. Zeker niet horizontaal: ik sta liever dan dat ik lig; in de dood zal dat ook wel zo zijn. Iedereen ratelt wat verhalen over me af, liefst zo theatraal mogelijk, en afsluitend bindt er iemand mijn kist op het dak van een veel te kleine auto en voert me naar een veld in Beveren. Op dat veldje staat een muziekinstallatie en een paar vaten Duvel. Ze mogen doen wat ze willen, maar ik wil als de laatste man op dat feestje blijven staan. De volgende ochtend leggen ze mijn kist op een zelfgemaakt vlot in het Albertkanaal en steken mij in de fik. Hoe ze dat doen, moeten zij zelf maar uitzoeken.


Woensdag 10 – 02 – 21

Roekeloos zijn zonder het juiste moment af te wachten, is een van mijn favoriete zondes. Liefst onder invloed. Ergens zwevend met wijn in mijn bakkes. Linkerhand zwaaiend op een ritme dat ikzelf verzin. Ik draai rondjes tot de fles op is en mijn hand gevuld moet worden. Al zwalpend strompel ik over de benen van een oude kruk. Ik kan mezelf nog net rechthouden. ‘Niets aan de hand’, gebaar ik. Mijn lijf oprapen en op naar die refill. Ik ken de barman. Hij duldt mijn overgedreven gebaren en gooit de lege fles achter zich de houten krat in. In een rechte lijn schuift hij de volgende mijn kant op. Ik maak een diepe buiging, ren enthousiast de dansvloer op en knal – bakkes eerst – de grond op.


Woensdag 03 – 02 – 21

Ik geloof in de eindigheid van het bestaan. De chaos die de poorten opent en eeuwige orde voorziet. Gedaan met leven op woensdag en boven mijn moeder wonen. Het is niet dat ze slecht kookt, maar ik vind de daad op zich kleinerend. Alsof ik mijn zeventienjarige ik ben en om een bepaald uur thuis moet zijn voor aardappelen met vlees. Bien cuit. Iedereen moet nu thuis zijn. Als het licht van de computer op mijn gezicht valt, voel ik mij niet eenzaam. Dan geloof ik in Pornhub en het abseilen van mijn broek en onderbroek. ”Ik kom zo, moeder.”


Woensdag 27 – 01 – 21

Het nieuwe jaar is voorbij. Of beter: het nieuwe is eraf. De verwondering maakt plaats voor de desillusie. De baseball bat vol op mijn gezicht. Ze zeiden dat het nieuwe jaar beter zou zijn. Cafés open, ik op zoek naar een nieuw lief; dansen op de tafel zoals de windman tijdens de zomer van Antwerpen in 2003. *Someone turned the heat on, honey* Maar het blijft koud. Geen knuffels en afstand tussen mij en elk ander stuk vlees. Ik ben het beu en verwens die toestand de builenpest toe. Misschien klopt het ooit nog wel eens, maar niet vandaag.


Woensdag 20 – 01 – 21

Gisteren was het dinsdag. De dag voor mijn wekelijkse maandstonden. Hevige buikkrampen doen de avond voor de Apocalyps mijn gemoed zakken, angst en snot vullen langzaam mijn kop. Het is historisch zo gegroeid dat ik malfunctioneer in het midden van de week. Misschien is het mijn afkeer voor symmetrie en evenwicht die mijn gemoed doet zakken. Ik weet het niet. Als kind kroop ik op woensdag al kreunend en zagend het bed uit. Mijn eerste gewaarwordingen waren die van het niet willen bestaan. Het is een dag dat ik twintig keer over mijn schouder kijk en mijn anders voel dan de rest. Geviseerd door een kalender waar ik geen vat op heb. Nu als volwassenen sluit ik mij op en rook ik het dubbel aantal sigaretten dan normaal. Opsluiten en naar mijn pc staren. Zij is mijn psychologe die luistert en alleen maar hapert als ik te veel zaag. Ik betaal met de rode aderen op mijn ogen en als de sessie voorbij is, klap ik haar zonder een ongemakkelijke stilte dicht.


Woensdag 13 – 01 – 21

Deze nacht stond ik doodsangsten uit. Zeven uur lang werd ik achtervolgd. Door beren, Voornamelijk uitgehongerde grizzly’s die het op mij gemund hadden. Ik wens het mijn grootste vijand niet toe en als er nu één dier is – buiten bloedzuigers, teken, haaien en gevogelte – waar ik panische angst voor heb, zijn het beren van een soort die je enkel in Noord-Amerika vindt. Ik herinner mij flitsen van bruine monsters die zich door mijn achterdeur en ramen binnen wurmen. Op zijn Hitchcockiaans deelde mijn droom zich op in close- ups van ontblote tanden versierd met speekseldraden, brullende beren en een panische ik die als een gillende dertienjarige trut door eindeloze gangen rende. Flaterend. Ik had dood moeten zijn, maar toch werd ik de volgende ochtend wakker. Zo zien mijn woensdagen eruit. Ik weet ook niet waarom, maar het is alsof de hele kloteweek mij spaart en dan die dag – die qua naam op niets slaagt – alle kanker op mij loslaat. Soms overdag, soms ’s nachts en nog vaker de klok rond.

Sam Sterckx (1985, Antwerpen) is een schrijver en fulltime cynicus. Voornamelijk op woensdag.

2 reacties

  1. Anke schreef:

    Amai, knap geschreven maar toch ook zwaar om te lezen hoe het leven voor jou verloopt, het maakt me een beetje verdrietig… Als je nood hebt aan een babbel… Liefs. Uw grote nicht… Van inmiddels ook al 50 jaar… Anke xx

    Like

  2. donkiesjot schreef:

    Straffe kost! Moedig!

    Like

Een reactie plaatsen

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s