Home

KOTSEN OP WOENSDAG

Alle andere dagen ben ik best oké

Woensdag 12 – 05 – 21

Lijn coke door de neus jagen en babbelen. Vorige zaterdag was het zover. Terrasje doen, volk zien en verdwijnen in de massa die zich geen bal meer aantrekt van eender welke regel. Het tandvlees was op. Ik heb borsten gezien en benen gevoeld. Zachtjes de geur opgenomen van zij die veel knapper en jonger zijn dan mijzelf. Ik heb mijn lijf vrijspel gegeven. Iedereen in extase en er is geen mens die aan de volgende dag denkt. My kind of people. Morgen maakt niet uit voor vandaag. Ik strompel door de menigte, steek de zoveelste sigaret in mijn mond en gebruik het mondmasker om mijn neus proper te maken. De problemen vergeten die vegeteren in mijn hoofd. De dop moet eraf vliegen, liefst met fles en al. Mij laten leiden door de goesting van het moment. Ik kus iemand die ik niet ken. Haar lippen proeven naar drank en seks. Ik voel de drang om iets te betekenen. Noem het: het kortstondig willen begrijpen waarom mensen nog verliefd worden op elkaar. Het gevoel dat iemand jou de moeite waard vindt om te kussen is aanstekelijk. Nog drie tongdraaiingen en ik vraag die naamloze griet, met strakke kont, ten huwelijk. Speciaal zijn voedt het verlangen om mezelf als normaal te zien. Ik lik haar af alsof er geen morgen komt. Een fantastisch gevoel dat mij voor het eerst sinds jaren geil doet krijgen. Verstoord door een hand op de keel. Een duw op mijn knieschijf en een klop op mijn bakkes. Ziekenhuis in: twee dagen in de coma met een bedpan. Terug wakker op –  u raadt het al – deze motherfucking woensdag.
© Anton Corbijn, Nick Cave, Santa Monica, 1991

Woensdag 05 – 05 – 21

In mijn hoofd is het chaos. Elke gedachte een strijd tussen opgeven of verdergaan. Elke stap een dwaling over het loslaten en afstaan. Ik roep zonder dat iemand mij hoort. Mijn nek opgespannen, de mond open en leeg. Duwen tot het splijt. Ik doe mezelf pijn om iets te voelen. Mezelf verliezen in al wat niet mag bestaan. Het regent en de vijfde joint van de dag smaakt zuur. Ik wandel over de brug die Antwerpen met Merksem verbindt en proef de loze woorden die de psychologe op mijn tong achterlaat. Dat alles goed met mij gaat. Wat weet zij ervan. Ik vertel haar wat ze wil horen, wat iedereen wil horen. Verzwijg al wat belangrijk is. Ik ben hier omdat het moet, niet omdat ik erin geloof. Zij wil me helpen, maar dat gaat niet. Elkaar echt helpen, heeft nooit echt bestaan. In het diepste van de leegte zijn we allemaal alleen.

© Leon Spilliaert, Dijk in Oostende met lichten, 1908

Woensdag 28 – 04 – 21

Mijn ex is zwanger. Ze heeft het me net verteld. Met de nodige afkeer luister ik naar een monoloog vol gezeik over respect, onvoorwaardelijke vriendschap en toevalligheden die een toekomst bepalen die niemand kan voorzien. Ik laat haar lullen en denk aan het langzaam verdrinken. Mijn longen die zich ongewild vullen met water. Mijn lijf dat vecht zonder kans op een overwinning. Ze stopt en vraagt of ik iets zeg. Wat moet ik zeggen: ‘Ik hoop dat je scheurt en niet te naaien bent?’ Ik schaam me voor mezelf. Soms denk ik dat ik geen liefde kan aanvaarden van mensen die mij graag zien. Ik stoot ze af en wentel mij in wat ik ken, wat te controleren valt. Ik zwijg, neem haar hand vast en zoek  het vertrouwde op in wat er niet meer is. Tot ik alleen nog met rust gelaten wil worden, in mezelf keer en denk aan die vijf jaar samenzijn. De jaren van proberen. Mijn zaad is even waardeloos als mijn innerlijke wil om me voort te planten. Ik laat haar hand los, zeg niets meer en vertrek zonder om te kijken. Een ik is meer dan genoeg.  
© Weegee, Murder in Hell’s Kitchen, 1940 -1949

Woensdag 21 – 04 – 21

8:30 en ik sta voor het eerst in drie weken opnieuw voor de klas. Surprise: ik doe iets voor de kost. Uiteraard dik tegen mijn goesting, overslapen en zonder koffie in mijn systeem. Mijn aangedikte wallen en ongewassen gezicht verborgen onder een mondmasker dat ik al maanden aan een stuk draag. Ik weet zelf niet wat ik hier in godsnaam doe, maar van schrijven kan ik niet leven. Nog niet. Sinds september vervang ik een jonge vrouw die na haar bevalling tot het besluit kwam dat ze toch geen kind wilde. Fuck haar en fuck dat kind. Ik ben het levende bewijs dat je onder een depressieve staat van zijn wel kan deelnemen aan de maatschappij. Al was het stoned, ongeïnteresseerd en instabiel. Who cares: ik ben niet de enige. Mijn glazige ogen overschouwen de leerlingen van het 6de economie moderne talen. Drie weken paaspauze – ik kan dat woord niet uitstaan, nog voor het bestond – heeft hen zichtbaar geen deugd gedaan. Ik slof de ruimte door en geniet van de stilte die enkele seconden lang de klas opvult. In mijn hoofd ben ik een klassieke filosoof die louter door zijn aanwezigheid de menigte inspireert. Ik toon hen een slide met een foto van een blinde vrouw, wiens linkeroog naar de muur van het onverklaarbare niets tuurt en vraag hen naar de inhoud van het kunstwerk. Ik kijk naar de klok en twijfel of ik met die ene slide 50 minuten vol krijg.

© Paul Strand, Blind, 1917

Woensdag 14 – 04 – 21

Wanneer de nachtklok ingaat, sleep ik mijn voordeur open en stap naar buiten. Hoofdtelefoon op en enkel nog de stem van Marc Bolan – T. Rex –  op repeat. De man die ik  graag had willen zijn, is al veertig jaar dood. Hij zingt over dansen, hoe hij de baarmoeder uit danste en maar bleef dansen. Ik droom op mijn beurt hoe ik er opnieuw in kan verdwijnen. Al dansend mijn kleren weggooiend, mezelf met etherische olie inwrijven en de schaamlippen van mijn moeder zorgvuldig openvouwen, om er vervolgens mijn hoofd in te steken. Het is voor ons beide geen aangename ervaring, maar het zijn ideeën die gratis en voor niets opduiken wanneer ik ’s nachts aan de kaaien ronddwaal. Marc vraagt zich ondertussen af wat het is om alleen te zijn. Ik kan hem niet helpen, gooi mijn peuk in de Schelde en denk aan het nooit meer opstaan.
© Albrecht Dürer, Flügel einer Blauen Walz, 1512

Woensdag 07 – 04 – 21

Deze ochtend had ik een gesprek met mezelf. Het begon ongemakkelijk en geen van ons beiden wilde er echt mee starten. We hadden het al zolang uitgesteld. Ik hoopte dat ik niet zou praten over wat er vorige week gebeurd was en ik wenste op mijn beurt dat ik niet defensief uit de hoek zou komen wanneer ik over vorige week zou beginnen. Ik vroeg of er koffie moest zijn. Ik knikte. Met een gedeelde sigaret hebben we het ijs gebroken en herinneringen opgehaald. Ik raakte mezelf kort aan zonder op te schrikken. Ik praatte over hoe het me speet. Eerst wilde ik er niets van weten. Ik hief mijn schouders op en verwenste mezelf. Ik wilde iets zegen over al die jaren samenzijn, dat het zo niet verder kon. Dat het verschrikkelijk was om met mezelf om te gaan. Maar ik zweeg. Ergens diep vanbinnen wist ik al lang dat ik niet zonder mezelf verder kon.

© Thierry De Cordier, Mer Grosse, 2011

Woensdag 31 – 03 – 21

Ze zouden alle mensen moeten afschaffen. Geen verschillende meningen en onredelijke verwachtingen meer. Geen ongemakkelijke momenten die uitgroeien tot frustraties die jaren aanslepen. Van iedereen de hersenen afpakken en het omhulsel naar de fabrikant terugzenden. ‘Hebt ge geen nieuwer model?’ Van mijn part mogen ze met mij beginnen. Via de neus mijn ingewanden eruit. Al die vetzakkerij op een hoop gooien om er potgrond van te maken. Ik ben volgens mij het nuttigst als ik niet meer nadenk en de basis kan zijn voor een scheut die zich voornamelijk bezighoudt met  het produceren van bladeren en bloemen. Voor de rest, geen argument.

© René Magritte. Le balcon de Manet, 1949

Woensdag 24 – 03 – 21

In gedachten sleep ik mijn voeten door de straten van mijn verloren jeugd. Alles stinkt hier naar onvervulde dromen en opgebrande tijd.  Mijn vingers beven en met de grootste moeite steek ik de vijfde sigaret van de dag aan. Terwijl ik mijn longen teer laat proeven, kijk ik met verkleinde pupillen naar mijn oude buurt. Mijn grootouders hadden velden en veen gekend, ik moest het stellen met betonnen appartementsgebouwen en vestimentair gefaalde marginalen die hun dun gezaaide hersencellen opzadelden met meerdere xtc-pillen per week. Een ex van me noemde het ooit Wit-Rusland In-‘t-Klein. Maar voor mij blijft het mijn geboortedorp, bezaaid met herinneringen. De plek die me gemaakt heeft tot wie ik nu ben. Het dorp dat aan mij plakt als een lipoom op de schouder. Daar blijvend tot de dag dat ik sterf.

© Joseph Beuys, I like America and America likes me, 1974

Woensdag 17 – 03 – 21

Gisteren heb ik iemand zijn gezicht bewerkt met een vork. Waarom? Ik kon het niet laten passeren. Hij begon over mijn wezen en mijn houding ten opzichte van alles en iedereen. ‘Wat hebt gij eigenlijk al gedaan in uw leven buiten kankeren op een ander?’ Na het uitspreken van die woorden kon je zijn gezicht niet meer als gaaf bestempelen. Mijn hoofd duldt geen shit meer. Ik keek naar hem met die vork in mijn handen. We aten samen een vegetarische dagschotel, ergens in een denkbeeldig restaurant. Ik voelde hoe mijn haat uitbrak bij het horen van die uitspraken. Mijn vingers die de steel omklemden en uithielen zonder ratio en begrip. De tanden doorkliefden zijn huid en bogen op het bot. Ik stak opnieuw en opnieuw. Een oogbol werd geperforeerd en kraakbeen gekneusd. Opgefokt keek ik naar het slagveld waar ik verantwoordelijk voor was. Ik haalde adem en was klaar om afscheid te nemen. Ik deed teken naar de dichtstbijzijnde serveuse. ‘Mag ik de rekening alsjeblieft?’ Ik zocht op de tast naar mijn portefeuille, ‘graag alleen mijn deel, als het niet geeft.’

© René Magritte. La Reproduction interdite, 1937

Woensdag 10 – 03 – 21

Mijn sansevieria en ik zwierven woensdag rond in Gent. We kwamen van nergens en gingen nergens naartoe. Ik hield haar stevig bij de pot vast en kuste haar bladeren zonder rekening te houden met al wie onze liefde niet begreep. We liepen voorop in de fanfare zonder honger en dorst. We hadden samen een pact gesloten om enkel nog op water en licht te leven. Al de rest mocht voor ons naar de kloten. Wij hebben genoeg van alles dat uit te veel moleculen bestaat. Wij willen een leven zonder honger en dorst.  

© Stanley Kubrick, Dr. Strangelove, 1964

Woensdag 03 – 03 – 21

Ik kots wat in mijn eigen mond en laat het braaksel op de tong rusten. Beter traag inslikken dan reageren op de woorden die op mij afkomen. Ik focus mij op de gisting in de mond en schakel het verstand uit: op woensdag luister ik niet naar onbevoegden. Ik wacht het juiste moment niet af en wandel weg zonder iets te zeggen.  Al dat gezeik is het vernoemen niet waard.

© Adriaen Coorte, Stilleven met asperges, 1697

Woensdag 24 – 02 – 21

Ik heb vandaag in een park gezeten. Voorzien van  short en trui. Zeventien fucking graden in februari; zelfs de duiven weten niet waar te vliegen. Mij kan het niets schelen. Ik leg mijn benen languit op een deken dat het grondvocht tegenhoudt en luister ongewild naar muziek van groepjes jongeren die naast ons hangen. Ik zie mezelf nog steeds als een van hen, maar bij het ontwarren van al die verschillende klanken weet ik dat dit ik mezelf iets voorlieg. Mijn ziel is onlosmakelijk verbonden met de vorige eeuw. De tijd waarin de pest niet werd opgelost met mondmaskers, maar met een fles whisky en vers fruit. Voor die schoolplichtige ben ik niets meer dan een oude zak. Afgeschreven en kansen verspeeld.  Ik knik instemmend. Niemand knikt terug.   

© Hugo Ball (1886 -1927)

Woensdag 17 – 02 – 21

Als ze mij ooit begraven, liefst met een sigaret in mijn bakkes. Vers aangestoken. Als er rook uit de kist komt, mogen ze die openen, maar het is geen verplichting. Ik kon vandaag aan niets anders denken en heb dan maar mijn uitvaart uitgeschreven. Allereerst wil ik een zwarte kist met in het goud mijn initialen erop. Mijn beste vrienden krijgen de taak de kist op de schouder te leggen en mijn overblijfselen op de tonen van There will be no next time van The Kids de kerk in te dragen. In de kerk worden foto’s van mijzelf op het retabel geprojecteerd. Al wie mee op de foto staat, wordt afgeknipt. Centraal aan het altaar wordt mijn kist schuin rechtgezet. Zeker niet horizontaal: ik sta liever dan dat ik lig; in de dood zal dat ook wel zo zijn. Iedereen ratelt wat verhalen over me af, liefst zo theatraal mogelijk, en afsluitend bindt er iemand mijn kist op het dak van een veel te kleine auto en voert me naar een veld in Beveren. Op dat veldje staat een muziekinstallatie en een paar vaten Duvel. Ze mogen doen wat ze willen, maar ik wil als de laatste man op dat feestje blijven staan. De volgende ochtend leggen ze mijn kist op een zelfgemaakt vlot in het Albertkanaal en steken mij in de fik. Hoe ze dat doen, moeten zij zelf maar uitzoeken.

© Vincent Van Gogh, Kop van een skelet met brandende sigaret, (Antwerpen) 1886

Woensdag 10 – 02 – 21

Roekeloos zijn zonder het juiste moment af te wachten, is een van mijn favoriete zondes. Liefst onder invloed. Ergens zwevend met wijn in mijn bakkes. Linkerhand zwaaiend op een ritme dat ikzelf verzin. Ik draai rondjes tot de fles op is en mijn hand gevuld moet worden. Al zwalpend strompel ik over de benen van een oude kruk. Ik kan mezelf nog net rechthouden. ‘Niets aan de hand’, gebaar ik. Mijn lijf oprapen en op naar die refill. Ik ken de barman. Hij duldt mijn overgedreven gebaren en gooit de lege fles achter zich de houten krat in. In een rechte lijn schuift hij de volgende mijn kant op. Ik maak een diepe buiging, ren enthousiast de dansvloer op en knal – bakkes eerst – de grond op.

© Dallas News, Lawrence Jenkins, 2021

Woensdag 03 – 02 – 21

Ik geloof in de eindigheid van het bestaan. De chaos die de poorten opent en eeuwige orde voorziet. Gedaan met leven op woensdag en boven mijn moeder wonen. Het is niet dat ze slecht kookt, maar ik vind de daad op zich kleinerend. Alsof ik mijn zeventienjarige ik ben en om een bepaald uur thuis moet zijn voor aardappelen met vlees. Bien cuit. Iedereen moet nu thuis zijn. Als het licht van de computer op mijn gezicht valt, voel ik mij niet eenzaam. Dan geloof ik in Pornhub en het abseilen van mijn broek en onderbroek. ”Ik kom zo, moeder.”

© Fritz Gerhard Mayr, Wotrubakirche , 1974 – 1976

Woensdag 27 – 01 – 21

Het nieuwe jaar is voorbij. Of beter: het nieuwe is eraf. De verwondering maakt plaats voor de desillusie. De baseball bat vol op mijn gezicht. Ze zeiden dat het nieuwe jaar beter zou zijn. Cafés open, ik op zoek naar een nieuw lief; dansen op de tafel zoals de windman tijdens de zomer van Antwerpen in 2003. *Someone turned the heat on, honey* Maar het blijft koud. Geen knuffels en afstand tussen mij en elk ander stuk vlees. Ik ben het beu en verwens die toestand de builenpest toe. Misschien klopt het ooit nog wel eens, maar niet vandaag.

© Georges Méliès, Le voyage dans la lune, 1902

Woensdag 20 – 01 – 21

Gisteren was het dinsdag. De dag voor mijn wekelijkse maandstonden. Hevige buikkrampen doen de avond voor de Apocalyps mijn gemoed zakken, angst en snot vullen langzaam mijn kop. Het is historisch zo gegroeid dat ik malfunctioneer in het midden van de week. Misschien is het mijn afkeer voor symmetrie en evenwicht die mijn gemoed doet zakken. Ik weet het niet. Als kind kroop ik op woensdag al kreunend en zagend het bed uit. Mijn eerste gewaarwordingen waren die van het niet willen bestaan. Het is een dag dat ik twintig keer over mijn schouder kijk en mijn anders voel dan de rest. Geviseerd door een kalender waar ik geen vat op heb. Nu als volwassenen sluit ik mij op en rook ik het dubbel aantal sigaretten dan normaal. Opsluiten en naar mijn pc staren. Zij is mijn psychologe die luistert en alleen maar hapert als ik te veel zaag. Ik betaal met de rode aderen op mijn ogen en als de sessie voorbij is, klap ik haar zonder een ongemakkelijke stilte dicht.

© Fritz Lang, M – Eine stadt sucht einen Mörder , 1931

Woensdag 13 – 01 – 21

Deze nacht stond ik doodsangsten uit. Zeven uur lang werd ik achtervolgd. Door beren, Voornamelijk uitgehongerde grizzly’s die het op mij gemund hadden. Ik wens het mijn grootste vijand niet toe en als er nu één dier is – buiten bloedzuigers, teken, haaien en gevogelte – waar ik panische angst voor heb, zijn het beren van een soort die je enkel in Noord-Amerika vindt. Ik herinner mij flitsen van bruine monsters die zich door mijn achterdeur en ramen binnen wurmen. Op zijn Hitchcockiaans deelde mijn droom zich op in close- ups van ontblote tanden versierd met speekseldraden, brullende beren en een panische ik die als een gillende dertienjarige trut door eindeloze gangen rende. Flaterend. Ik had dood moeten zijn, maar toch werd ik de volgende ochtend wakker. Zo zien mijn woensdagen eruit. Ik weet ook niet waarom, maar het is alsof de hele kloteweek mij spaart en dan die dag – die qua naam op niets slaagt – alle kanker op mij loslaat. Soms overdag, soms ’s nachts en nog vaker de klok rond.
© Duane Michals, The Human Condition, 1969

Sam Sterckx (1985, Antwerpen) is een schrijver en fulltime cynicus. Voornamelijk op woensdag.

1 reactie

  1. Amai, knap geschreven maar toch ook zwaar om te lezen hoe het leven voor jou verloopt, het maakt me een beetje verdrietig… Als je nood hebt aan een babbel… Liefs. Uw grote nicht… Van inmiddels ook al 50 jaar… Anke xx

    Like

Een reactie plaatsen

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s